De burgemeester van Rotterdam heeft aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor het centrum van Rotterdam voor de duur van drie maanden, vanwege ernstige overlast en verstoring van de openbare orde door rivaliserende drillrapgroepen. Verzoeker, die volgens politiegegevens deel uitmaakt van de drillrapgroep KD3 en betrokken is bij meerdere incidenten en politieregistraties, heeft bezwaar gemaakt en verzocht om schorsing van het gebiedsverbod.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoeker een spoedeisend belang heeft vanwege de ernstige beperking van zijn bewegingsvrijheid, aangezien zijn woning binnen het gebiedsverbod ligt. De rechter heeft echter geoordeeld dat het gebiedsverbod proportioneel en subsidiariteit in acht nemend is opgelegd, mede omdat verzoeker via een looproute zijn school, huisarts en tandarts kan bezoeken.
De rechter acht de bestuurlijke rapportage van de politie betrouwbaar en concludeert dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de gegevens onjuist zijn. Ook is gebleken dat verzoeker recent contact heeft gehad met andere KD3-leden, wat het belang van het gebiedsverbod versterkt. Gezien de ernst van de overlast en het uitblijven van gedragsverandering na eerdere waarschuwingen, is het algemeen belang zwaarder dan het belang van verzoeker om zich vrij te bewegen binnen het gebied.
De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor het gebiedsverbod gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.