In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de burgemeester een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd aan verzoeker vanwege ernstige verstoring van de openbare orde binnen een conflict tussen twee families in een wijk. Verzoeker was betrokken bij bedreigingen en een incident waarbij uit een groep mensen, waarvan hij deel uitmaakte, met een vuurwapen werd geschoten. Tevens vond een explosiefontploffing plaats bij de woning van de schoonfamilie van verzoeker.
Verzoeker heeft tegen het gebiedsverbod bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om het verbod te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had, omdat het verbod hem belette zijn kinderen bij de grootouders te brengen binnen het verboden gebied.
De burgemeester was bevoegd het gebiedsverbod op te leggen op grond van artikel 172a Gemeentewet, gezien de ernstige verstoring van de openbare orde en de vrees voor herhaling. De voorzieningenrechter vond dat de burgemeester de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit had nageleefd, en dat het algemeen belang zwaarder woog dan het belang van verzoeker om zich vrij te bewegen binnen het gebied.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af, waardoor het gebiedsverbod blijft gelden tot 27 september 2025. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.