ECLI:NL:RBROT:2025:9221

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/10/698231 / JE RK 25-793
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over wijziging verblijfplaats van een minderjarige in het kader van jeugdzorg

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 1 juli 2025, wordt een verzoek behandeld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) om de verblijfplaats van een minderjarige, geboren in 2017, te wijzigen. De minderjarige heeft sinds 2020 bij pleegouders gewoond, maar door de scheiding van deze pleegouders zijn er zorgen gerezen over de opvoedsituatie. De GI verzoekt toestemming voor de wijziging van het verblijf naar een ander pleeggezin of gezinshuis, omdat de pleegmoeder niet in staat zou zijn om een veilige en stabiele omgeving te bieden. De rechtbank heeft de zaak behandeld met gesloten deuren op 3 juni 2025, waarbij verschillende belanghebbenden aanwezig waren, waaronder de pleegouders, de ouders van de minderjarige en vertegenwoordigers van de GI.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de pleegouders geen toestemming geven voor de wijziging van het verblijf, wat hen het recht geeft om dit te blokkeren. De rechtbank oordeelt dat de minderjarige kwetsbaar is door zijn verleden en dat het weghalen uit de vertrouwde omgeving grote gevolgen kan hebben. De rechtbank is van mening dat er onvoldoende informatie is om een beslissing te nemen en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen naar de noodzaak van de wijziging van de verblijfplaats. De behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 november 2025, waarbij de rechtbank de GI en de Raad verzoekt om rapportages over de situatie van de minderjarige en de pleegouders.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige Kamer
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/698231 / JE RK 25-793
Datum uitspraak: 1 juli 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over wijziging verblijfplaats
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader, wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. S.J. Daniels, kantoorhoudende in Utrecht,
[pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. S.J. Daniels, kantoorhoudende in Utrecht.
De pleegvader en de pleegmoeder worden hierna gezamenlijk de pleegouders genoemd.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
[persoon A] en [persoon B]van Enver pleegzorg,
hierna te noemen: Enver.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 april 2025, ontvangen op 18 april 2025;
  • het verweerschrift namens de pleegouders van 28 mei 2025 met bijlagen;
  • de pleitaantekeningen namens de pleegouders, zoals ter zitting overgelegd aan de rechtbank.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • de vader;
  • de moeder;
  • de twee pleegzorgmedewerkers van Enver;
- twee vertegenwoordigers van de GI [persoon C] en [persoon D] .

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 6 april 2023 is het gezag van de vader en de moeder over [voornaam minderjarige] beëindigd en is [voornaam minderjarige] onder voogdij gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.
2.2.
Vanaf 2020 tot eind 2024 heeft [voornaam minderjarige] bij de pleegouders gewoond. Door het uit elkaar gaan van de pleegouders, verblijft [voornaam minderjarige] sindsdien bij de pleegmoeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [voornaam minderjarige] naar een ander pleeggezin of gezinshuis en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] woont al 4,5 jaar in het huidige pleeggezin. Er zijn al langere tijd zorgen over het verblijf van [voornaam minderjarige] in het pleeggezin, maar deze zorgen zijn toegenomen sinds de scheiding van de pleegouders eind 2024. Dat is gepaard gegaan met spanningen en conflicten binnen het pleeggezin, waarvan [voornaam minderjarige] getuige is geweest. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de pleegmoeder. De pleegmoeder belast [voornaam minderjarige] met haar emoties van de scheiding, wat maakt dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] in gevaar komt. [voornaam minderjarige] is kwetsbaar door zijn belaste verleden. Daarom voelt [voornaam minderjarige] zich al snel verantwoordelijk voor het welzijn van de pleegmoeder en is er sprake van parentificatie. Ook verloopt de samenwerking tussen Enver en de pleegmoeder al geruime tijd moeizaam. De pleegmoeder heeft een sterke eigen visie op het opvoeden van [voornaam minderjarige] , wat maakt dat de pleegmoeder de adviezen van Enver niet opvolgt en de pleegmoeder nauwelijks overleg heeft met Enver over de stappen die zij zet voor [voornaam minderjarige] . Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt tussen de GI, Enver en de pleegmoeder om de emotionele belasting van [voornaam minderjarige] door de pleegmoeder te beperken, maar de pleegmoeder is deze afspraken onvoldoende nagekomen. De overleggen op school met alle betrokkenen over de zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige] hebben evenmin geleid tot noodzakelijke gedragsverandering bij de pleegmoeder. Enver heeft een melding bij Veilig Thuis gedaan naar aanleiding van een verontrustende uitspraak van de pleegmoeder op school. Veilig Thuis heeft geconcludeerd dat de thuissituatie bij de pleegmoeder niet veilig genoeg is voor [voornaam minderjarige] . Inmiddels heeft Enver het pleegzorgcontract met de pleegouders beëindigd. Een herscreening van de pleegouders door Enver of een nieuwe pleegzorgorganisatie is niet aan de orde omdat de pleegmoeder niet leerbaar is gebleken. Er is nu specialistische ambulante hulpverlening (SPAM) ingezet bij de pleegmoeder om zicht te kunnen blijven houden op de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Echter, vanwege weerstand bij de pleegmoeder komen zij niet verder dan ventilerende gesprekken. Als het verzoek van de GI wordt toegewezen, dan is de GI voornemens om [voornaam minderjarige] in een gezinshuis te plaatsen, waarbij de GI ook aandacht zal hebben voor de band tussen de pleegouders en [voornaam minderjarige] . De benoeming van een bijzondere curator, zoals subsidiair verzocht door de pleegouders, moet worden afgewezen omdat een bijzondere curator niet passend is voor de beoordeling van deze situatie. Er is voor dit verzoek geen advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

4.De standpunten

Enver
4.1.
Enver ondersteunt het verzoek van de GI. Er waren al geruime tijd zorgen over de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] bij de pleegouders, vooral over de pleegmoeder. Door de scheiding zijn de al bestaande zorgen over de pleegmoeder duidelijker geworden, ook omdat de draagkracht van de pleegmoeder door de scheiding minder groot is. Daarom heeft Enver de voor pleegouders geldende criteria in 2025 opnieuw doorlopen. Daaruit volgt dat de zorgen vooral zien op het gebrek aan open communicatie en samenwerking van de pleegmoeder, haar gebrek aan reflectievermogen en gebrek aan leerbaarheid en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Enver heeft het contract met de pleegouders opgezegd omdat de zorgen over de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder, ondanks de inspanningen van Enver, onvoldoende zijn afgenomen. De pleegmoeder is onvoldoende leerbaar gebleken en het wantrouwen van de pleegmoeder jegens Enver is groot. Het is niet gelukt om een constructieve samenwerking met de pleegmoeder aan te gaan.
Het standpunt van de pleegouders
4.2.
De pleegouders hebben ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en verzocht om het verzoek van de GI (primair) af te wijzen of (subsidiair) het verzoek aan te houden met benoeming van een bijzondere curator. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder. Hij is geworteld in de woonplaats van de pleegmoeder. Hij gaat daar naar school en heeft daar zijn sociale omgeving. De pleegouders herkennen de door de GI en Enver geuite zorgen over de samenwerking met de pleegmoeder en over de opvoedsituatie bij de pleegmoeder niet. Sinds het verblijf van [voornaam minderjarige] bij de pleegouders hebben zij steeds positieve beoordelingen gehad van Enver. De pleegouders hebben echter het gevoel dat zij sinds de scheiding onder een vergrootglas liggen. Hoewel de pleegouders een emotionele periode achter de rug hebben en [voornaam minderjarige] daar wat van heeft meegekregen, hebben zij nu een en ander weer op de rit. De pleegvader is nog steeds betrokken bij [voornaam minderjarige] en de pleegouders hebben voor [voornaam minderjarige] contact met elkaar. Ook hebben de pleegouders de voor [voornaam minderjarige] benodigde hulpverlening steeds ingezet. Op dit moment krijgt [voornaam minderjarige] hulp van Bureau Jip voor het leren omgaan met zijn emoties. Daarnaast heeft de pleegmoeder voor zichzelf hulp gezocht bij een maatschappelijk werkster en een psycholoog. De pleegmoeder zal in juli weer gaan starten met werken en dan zullen de pleegouders opnieuw (praktische) afspraken maken over [voornaam minderjarige] . De samenwerking met Enver was altijd moeizaam omdat de pleegouders zich niet gewaardeerd voelden en de verschillende betrokken pleegzorgmedewerkers fouten hebben gemaakt.
Het standpunt van de moeder
4.3.
De moeder ziet [voornaam minderjarige] niet zo vaak. Zij vindt het belangrijk dat er gekeken wordt wat in het belang van [voornaam minderjarige] is. De situatie wordt door de GI eenzijdig belicht. De GI legt de schuld nu volledig bij de pleegmoeder, maar de moeder mist duidelijkheid over de door Enver geuite zorgen. Zo mist de moeder concrete bronnen van Enver waaruit blijkt dat de opvoedsituatie bij de pleegmoeder niet meer of nog steeds niet veilig is voor [voornaam minderjarige] . Een herscreening had daarover meer uitsluitsel kunnen geven. Daarom vindt de moeder het belangrijk dat er meer onderzoek wordt verricht en dat een derde, zoals een bijzondere curator, de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder beoordeelt. Er moet voorkomen worden dat [voornaam minderjarige] schade oploopt door een overplaatsing.
Het standpunt van de vader
4.4.
De vader ondersteunt het verblijf van [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder en is ervan overtuigd dat [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder goed zit. De vader ziet in de door de GI geuite zorgen geen aanleiding voor de wijziging van de verblijfplaats van [voornaam minderjarige] . De gezinssituatie van de pleegouders is normaal. Een scheiding hoort nu eenmaal bij het leven. Ieder kind, zo ook [voornaam minderjarige] , moet daarmee leren omgaan, ook al is [voornaam minderjarige] een gevoelige jongen. Wel is het belangrijk dat de onderlinge communicatie tussen de pleegouders goed is en dat [voornaam minderjarige] zo min mogelijk last ondervindt van de scheiding van de pleegouders.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:336a lid 1 BW kan, indien een kind door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorend tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, de voogd niet dan met toestemming van degene die de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, wijziging in het verblijf van dat kind brengen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de voogd, indien de vereiste toestemming niet wordt verkregen, aan de rechter verzoeken om vervangende toestemming. Deze wordt slechts verleend als dit in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat [voornaam minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd. Voor de wijziging van het verblijf van [voornaam minderjarige] is dan ook toestemming nodig van de pleegouders. Omdat de pleegouders geen toestemming geven voor de wijziging van het verblijf van [voornaam minderjarige] , en dus een beroep doen op hun blokkaderecht, zal de rechtbank moeten beoordelen of zij vervangende toestemming zal verlenen voor de verzochte wijziging van het verblijf van [voornaam minderjarige] .
5.3.
[voornaam minderjarige] is vanwege zijn belaste verleden een kwetsbare jongen. [voornaam minderjarige] is getuige geweest van huiselijk geweld tussen zijn ouders. Daarnaast was er sprake van persoonlijke problematiek bij beide ouders en waren er zorgen over het middelengebruik bij de moeder. Hierdoor is [voornaam minderjarige] uit huis geplaatst en heeft hij wisselende woonplekken gekend. Vanaf 2020 tot eind 2024 heeft [voornaam minderjarige] bij de pleegouders gewoond. Nu woont [voornaam minderjarige] alleen met zijn pleegmoeder omdat de pleegvader inmiddels de (echtelijke) woning heeft verlaten. De pleegvader heeft echter nog steeds regelmatig contact en omgang met [voornaam minderjarige] . De pleegouders spelen dus al een geruime tijd een belangrijke rol in de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige] en zijn de belangrijkste hechtingsfiguren voor [voornaam minderjarige] .
5.4.
Van pleegouders, in het bijzonder de pleegmoeder als hoofdopvoeder, moet kunnen worden verwacht dat zij [voornaam minderjarige] een stabiele en veilige (emotionele) basis bieden en kunnen blijven aansluiten bij de opvoedingsbehoeften van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft een bovengemiddelde opvoedingsbehoefte omdat hij al veel heeft meegemaakt en er bij hem sprake is van trauma- en hechtingsproblematiek. De GI vindt dat de pleegouders die emotionele veilige basis niet meer kunnen bieden. De pleegouders herkennen zich niet in de door de GI genoemde zorgen en vinden dat zij wel aansluiten bij de opvoedingsbehoeften van [voornaam minderjarige] . Tevens hebben zij een andere lezing van de oorzaak van de verstoorde samenwerking.
5.5.
Mede als gevolg van de echtscheiding van de pleegouders zijn er de afgelopen periode spanningen geweest in de thuissituatie bij de pleegouders. Hier heeft [voornaam minderjarige] last van gehad. Dit wordt ook erkend door de pleegouders. Voorts zijn er zorgen over de houding van de pleegouders en hun weerstand jegens de hulpverlening. Dit heeft geleid tot een melding van Enver bij Veilig Thuis, een (nog meer) verstoorde samenwerking tussen de betrokkenen en een beëindiging van het pleegzorgcontract van Enver. Gelet op dit alles kan worden vastgesteld dat er zorgen zijn over het opvoedklimaat bij de pleegouders. De vraag die thans voorligt, is of de genoemde situatie bij de pleegouders en meer in het bijzonder bij de pleegmoeder thuis, dermate zorgelijk is dat in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is dat zijn verblijfplaats wijzigt. Het weghalen van [voornaam minderjarige] uit de voor hem vertrouwde omgeving is een ingrijpende beslissing omdat te verwachten is dat de gevolgen van de wijziging van de verblijfplaats voor [voornaam minderjarige] , vanwege zijn trauma- en hechtingsproblematiek, groot zullen zijn. De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om die vraag te beantwoorden. Dit geldt temeer nu er inmiddels iets meer rust lijkt te zijn gekomen in de thuissituatie, er hulp voor [voornaam minderjarige] is ingezet voor de verwerking van de scheiding van de pleegouders, de pleegmoeder aangeeft dat zij hulp voor zichzelf heeft ingezet en blijkt dat de pleegouders in ieder geval (basis)afspraken hebben gemaakt over het contact tussen [voornaam minderjarige] en de pleegvader. In de verstoorde verstandhouding en het beëindigen van het pleegzorgcontract door Enver ziet de rechtbank op zich geen aanleiding om op dit moment het verblijf van [voornaam minderjarige] te wijzigen.
5.6.
Zoals hiervoor is vermeld, acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om te beslissen op het verzoek van de GI. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om de Raad op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te verzoeken onderzoek te doen naar de noodzaak van (wijziging van de) verblijfplaats van [voornaam minderjarige] en of dit in het belang is van [voornaam minderjarige] . Gelet hierop acht de rechtbank de benoeming van een bijzondere curator niet opportuun.
5.7.
De rechtbank vraagt de Raad bij het onderzoeken van de kernvraag over de noodzaak tot wijziging van de verblijfplaats van [voornaam minderjarige] , in ieder geval de volgende vragen te betrekken:
  • Kunnen de pleegouders, in het bijzonder de pleegmoeder, een (emotionele) stabiele en veilige basis bieden voor [voornaam minderjarige] en wat is daar eventueel voor nodig?
  • Wat zijn de gevolgen voor [voornaam minderjarige] als hij niet meer bij de pleegmoeder/de pleegouders kan verblijven?
  • Zijn er nog andere bevindingen die relevant zijn voor de te nemen beslissing over de (wijziging van de) verblijfplaats van [voornaam minderjarige] ?
In afwachting van het advies van de Raad, houdt de rechtbank de behandeling van het verzoek van de GI pro forma aan, zoals hierna vermeld. De Raad wordt verzocht om twee weken vóór het einde van de hierna vermelde pro forma datum de rechtbank in een rapportage te berichten, met afschrift aan de GI, de pleegouders en mr. Daniëls, over de uitkomst van voornoemd onderzoek. Ook de GI wordt verzocht om de rechtbank twee weken vóór de pro forma datum te berichten, met afschrift aan de Raad, de pleegouders en mr. Daniëls, over de actuele stand van zaken betreffende de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] bij de pleegmoeder/de pleegouders en de eventueel alsdan bestaande zorgen. Daarbij vindt de rechtbank het ook van belang dat de GI de rechtbank informeert over de bevindingen van de specialistische ambulante spoedhulp die nu in de thuissituatie van de pleegmoeder is ingezet vanwege het wegvallen van Enver. Ook verzoekt de rechtbank de GI om in de briefrapportage aan te geven of het verzoek wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
houdt de beslissing op het verzoek aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 november 2025 pro forma;
6.2.
bepaalt dat de GI, de belanghebbenden en mr. S.J. Daniels op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.3.
verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor genoemde pro forma datum, met afschrift aan de GI, de pleegouders en mr. Daniëls, de rechtbank de verzochte adviesrapportage te doen toekomen;
6.4.
gelast dat de griffie een kopie van het dossier verstrekt aan de Raad;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor genoemde pro forma datum, met afschrift aan de Raad, de pleegouders en mr. Daniëls, de rechtbank de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Jordaan, mr. A.L Pöll en mr. U. Gümüs, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.