ECLI:NL:RBROT:2025:9222

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/10/696081 / JE RK 25-534 en C/10/700031 / JE RK 25-1021
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en verzoek opheffen machtiging(en) tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 17 juni 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De moeder van [voornaam minderjarige] heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing op te heffen en haar dochter terug te plaatsen. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder afgewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 5 september 2025. De rechtbank heeft vastgesteld dat [voornaam minderjarige] sinds oktober 2024 uit huis is geplaatst vanwege ernstige gedragsproblematiek en dat eerdere pogingen tot plaatsing in pleeggezinnen niet succesvol zijn geweest. De GI heeft een klinische opname bij Yulius voorgesteld, wat de rechtbank passend acht in het licht van de aanbevelingen van M4Care. De rechtbank heeft geconcludeerd dat een terugplaatsing naar de moeder op dit moment niet in het belang van [voornaam minderjarige] is, gezien de toegenomen problematiek en de noodzaak voor specialistische behandeling. De rechtbank heeft ook het verzoek van de moeder om vervanging van de GI afgewezen, omdat er geen bewijs is dat dit in het belang van [voornaam minderjarige] zou zijn. De rechtbank heeft benadrukt dat de samenwerking tussen de GI en de moeder niet in strijd is met de belangen van [voornaam minderjarige].

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige Kamer
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/696081 / JE RK 25-534 en C/10/700031 / JE RK 25-1021
Datum uitspraak: 17 juni 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en verzoek opheffen machtiging(en) tot uithuisplaatsing
in de zaak van
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. M. Nentjes te Rotterdam en advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse,
en in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt voor zover het niet het eigen verzoekschrift betreft als belanghebbenden aan: de moeder en de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met producties 1-85 van de moeder, ontvangen op 14 maart 2025, ingeschreven onder zaaknummer C/10/696081;
  • twee aanvullende bijlagen van de moeder, ontvangen op 14 maart 2025;
  • het bericht van de GI van 25 maart 2025;
  • zes aanvullende bijlagen over het spoedappel van de moeder bij het Gerechtshof Den Haag (die ieder ook bijlagen bevatten, te weten producties 99-112 van de moeder en bijlagen bij het verweerschrift van de GI van 9 mei 2025) namens de moeder, ontvangen op 14 mei 2025;
  • het verweerschrift van de GI met 10 bijlagen, ontvangen op 14 mei 2025;
  • de brief met bijlage namens de moeder, te weten de beschikking in de spoed-appelprocedure van 14 mei 2025, ontvangen op 14 mei 2025;
  • de brief van mr. Nentjes, ontvangen op 14 mei 2025;
  • de brief van mr. Nentjes, ontvangen op 20 mei 2025;
  • het mondelinge verzoek van de GI van 21 mei 2025, gevolgd door het schriftelijke verzoekschrift van de GI met zes bijlagen, ontvangen op 22 mei 2025, ingeschreven onder zaaknummer C/10/700031;
  • de spoedbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 mei 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken inzake C/10/700031;
  • de brief van mr. Nentjes, ontvangen op 23 mei 2025;
  • het eindverslag van het netwerkpleeggezin, namens de GI, ontvangen op 28 mei 2025;
  • de e-mail van mr. Broekzitter-Nieuwland van 30 mei 2025;
  • het aanvullend verzoekschrift van de moeder, tevens inhoudende zelfstandige verzoeken, met bijlagen (te weten producties 104-123), ontvangen op 30 mei 2025;
  • het proces-verbaal van de zitting van 16 mei 2025;
  • twee aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 30 mei 2025;
  • de pleitnotities van de GI, ter zitting overgelegd;
  • de pleitnotities van mr. M. Nentjes, ter zitting overgelegd;
  • het conceptonderzoeksverslag van M4care, ter zitting overgelegd door mr. M. Nentjes.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaten;
  • de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft sinds kort bij [naam locatie] in [verblijfplaats] . Daarvoor verbleef zij in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 5 september 2025.
2.4.
[voornaam minderjarige] is op 9 oktober 2024 met spoed uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is nadien bij beschikkingen van 21 oktober 2024 en 30 december 2024 door de kinderrechter verlengd, respectievelijk tot 5 januari 2024 en 25 februari 2025. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 februari 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 augustus 2025 en de beslissing voor het overig verzochte aangehouden.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 een spoedmachtiging verleend [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 mei 2025 voor de duur van vier weken en het verzoek voor het overige aangehouden.

3.De (aangehouden) verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/696081:
3.1.
De moeder verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ten aanzien van [voornaam minderjarige] met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, op te heffen en te bepalen dat [voornaam minderjarige] per die datum wordt teruggeplaatst bij de moeder.
De aanvullende (zelfstandige) verzoeken van de moeder:
3.2.
De moeder verzoekt inzake C/10/696081 voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de machtiging uithuisplaatsing (MUHP) ten aanzien van [voornaam minderjarige] – voor zover deze niet van rechtswege is geëindigd door de machtiging onder kenmerk C/10/700031 – met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een door uw rechtbank te bepalen datum, op te heffen en te bepalen dat [voornaam minderjarige] per die datum wordt teruggeplaatst bij moeder;
primair de GI te vervangen, in die zin dat de tenuitvoerlegging van de OTS (en eventueel de MUHP) wordt overgedragen aan een andere GI, zoals de William Schrikker Stichting, althans subsidiair de GI te veroordelen tot feitelijke tenuitvoerlegging van de opdracht die het Hof de GI bij beschikking van 14 mei 2025 heeft opgelegd (dan wel te bepalen dat de GI hiertoe gehouden is), zijnde een terugplaatsing bij moeder na het onderzoek van M4Care via een moeder-kind-huis (of gezinsopname) dan wel door inzet van intensieve hulpverlening in de thuisomgeving, waartoe de resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing hiertoe door de GI kan worden benut.
EN
3.3.
De moeder verzoekt inzake C/10/700031, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging MUHP tot 5 augustus 2025 af te wijzen; en tevens
II. primair de (spoed) MUHP met onmiddellijke ingang op te heffen; althans subsidiair de MUHP op te heffen met ingang van een datum die uw rechtbank gerade acht.
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/700031:
3.4.
De GI heeft schriftelijk verzocht om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en - aansluitend - een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2025. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op het verzoek dat ziet op de spoedmachtiging is reeds beslist. Het overige is bij beschikking van 21 mei 2025 aangehouden.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd en verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder. Voor de inhoudelijke toelichting op het standpunt van de GI, verwijst de rechtbank naar de aangehechte pleitnotities van de GI.
In aanvulling op de pleitnotities heeft de GI ter zitting aangegeven dat zij voornemens zijn om [voornaam minderjarige] bij Yulius te plaatsen voor een klinische opname. De specifieke groep heet [naam groep] . Yulius is gespecialiseerd in de problematiek van [voornaam minderjarige] , te weten trauma- en hechtingsproblematiek. Op 6 juni 2025 kan een eerste gesprek plaatsvinden en half juli 2025 zou er een plek vrijkomen voor [voornaam minderjarige] bij [naam groep] . Deze klinische opname duurt in beginsel 9 maanden, maar Yulius biedt maatwerk, waardoor de opname korter of langer kan duren wanneer dat in het belang van de minderjarige is. De klinische behandeling kan op enig moment samen gaan met een gezinsopname, maar eerst is van belang dat de problematiek van [voornaam minderjarige] wordt behandeld. Yulius is daarvoor de juiste instantie, aangezien zij specialistische hulpverlening kunnen bieden, conform het advies van M4care. De GI acht de door de moeder aangedragen hulpverlening van Sterk in Regie wel intensief, maar onvoldoende specialistisch. Het gezin is aangemeld voor een KSCD-onderzoek, maar de GI wenst aan Yulius over te laten in hoeverre dat tegen die tijd nog passend is. Op dit moment gaat het goed met [voornaam minderjarige] bij [naam locatie] in [verblijfplaats] . De groepsleiding ziet een vrolijk en ondernemend meisje. [voornaam minderjarige] zoekt daar wel de grenzen op, maar er zijn nog geen signalen van de eerder waargenomen gedragsproblematiek. Daarbij moet gezegd worden dat dit zich vaak pas na enige weken uit.
De GI stelt zich op het standpunt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is om onder meer een klinische opname bij Yulius te kunnen ondergaan. De GI verzoekt dan ook de verzoeken van de moeder die zien op opheffing en afwijzing van de (spoed)uithuisplaatsing af te wijzen. Ook stelt de GI zich op het standpunt dat een vervanging van de GI niet in het belang van [voornaam minderjarige] is en verzoekt daarom dat verzoek af te wijzen.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en zijn haar (zelfstandige) verzoeken gehandhaafd. Voor de inhoudelijke toelichting op het standpunt van de moeder, verwijst de rechtbank naar de pleitnotities van mr. Nentjes.
In aanvulling op de pleitnotities is namens de moeder aangegeven dat de moeder zich niet kan vinden in het plan van de GI voor een klinische opname. Dit is in strijd met de beschikking van het Gerechtshof van 14 mei 2025 en ook niet als zodanig geadviseerd door M4care. Mr. Nentjes heeft de casus voorgelegd aan Sterk in Regie en zij hebben aangegeven hulp aan [voornaam minderjarige] te kunnen bieden in de thuissituatie. Zij kunnen per direct 6 uur per dag opvoedondersteuning bieden. [voornaam minderjarige] kan daarom per direct terug naar de moeder, waarna Sterk in Regie kan starten. De moeder staat wel open voor een gezinsopname, maar niet voorafgegaan door een klinische behandeling van [voornaam minderjarige] van 9 maanden. Deze periode is te lang en niet noodzakelijk. De moeder voelt zich door de GI steeds verder buiten spel gezet en verwijderd van [voornaam minderjarige] . Een langdurige klinische opname is pas aan de orde als alle andere vormen van hulpverlening of behandeling zijn uitgeput, maar [voornaam minderjarige] en de moeder zijn nog niet op dat punt. De moeder erkent de problematiek van [voornaam minderjarige] en wil niets liever dan met Sterk in Regie in de thuissituatie aan de slag.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de verleende machtiging(en) uithuisplaatsing wordt opgeheven en dat [voornaam minderjarige] met onmiddellijke ingang, althans zo snel mogelijk, weer thuis moet worden geplaatst, hetzij met de inzet van hulpverlening van Sterk in Regie, dan wel via een gezinsopname. Daarnaast is de moeder van mening dat de samenwerking en vertrouwensrelatie met de GI dusdanig verstoord zijn, dat vervanging van de GI nodig is. Ook is de moeder van mening dat, hoewel daartoe geen wettelijke grondslag bestaat, een bevel tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 14 mei 2025, noodzakelijk is, nu de GI een ander pad lijkt te willen volgen, wat in strijd is met de beschikking van het gerechtshof.
4.3.
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij graag zou zien dat er ook naar hem wordt gekeken als mogelijke opvoeder. De omgang tussen hem en [voornaam minderjarige] verloopt goed. De vader weet hoe hij met [voornaam minderjarige] om moet gaan en hij herkent de gedragsproblematiek dan ook niet. Bij hem luistert [voornaam minderjarige] wel omdat hij duidelijke grenzen stelt. De vader zou daarom graag een kans willen krijgen om voor [voornaam minderjarige] te zorgen. De vader ervaart de samenwerking met de GI overwegend positief. Hij doet wat er van hem gevraagd wordt. Het is jammer dat de moeder telkens de discussie met de GI aangaat, waardoor het de GI moeilijk gemaakt wordt om daadwerkelijk zaken uit te voeren, zoals het KSCD-onderzoek.

5.De beoordeling

5.1.
[voornaam minderjarige] is een thans 6-jarig meisje dat sinds 9 oktober 2024 uit huis is geplaatst. De directe aanleiding hiervoor was dat er onverklaarbare blauwe plekken bij [voornaam minderjarige] waren aangetroffen, die zouden kunnen duiden op toegebracht letsel. Daarnaast waren er al langere tijd zorgen in de thuissituatie bij de moeder, met name over de forse en heftige gedragsproblematiek bij [voornaam minderjarige] . Dit had er al meerdere keren toe geleid dat [voornaam minderjarige] met instemming van de moeder tijdelijk uit huis ging, omdat de moeder het gedrag van [voornaam minderjarige] niet meer aankon. [voornaam minderjarige] heeft sinds oktober 2024 in vier verschillende pleeggezinnen verbleven, waar zij telkens na een relatief korte periode weg moest vanwege de heftigheid van haar gedrag. Het laatste pleeggezin betrof pleegouders met specifieke opvoedvaardigheden ten aanzien van gedragsproblematiek. De pleegmoeder heeft echter op 21 mei 2025 aangegeven [voornaam minderjarige] niet langer op te kunnen vangen, vanwege haar gedrag en de negatieve effecten daarvan op hun gezin. [voornaam minderjarige] is toen bij [naam locatie] in [verblijfplaats] geplaatst.
5.2.
Zowel van de GI als van de moeder liggen in twee procedures verschillende verzoeken voor. De kern van het geschil heeft zich, gezien de recente ontwikkelingen, toegespitst op de vraag of [voornaam minderjarige] weer thuis bij de moeder kan gaan wonen, eventueel met eerst ambulante hulpverlening en een gezinsopname of dat een traject wordt gevolgd waarbij er eerst een klinische opname van [voornaam minderjarige] bij [naam groep] van Yulius zal plaatsvinden en waarbij [voornaam minderjarige] dus langer uit huis geplaatst blijft. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot de conclusie dat [voornaam minderjarige] niet naar huis kan en dat het in haar belang is dat zij bij [naam groep] van Yulius wordt geplaatst voor een klinische behandeling en tot die tijd bij [naam locatie] in [verblijfplaats] blijft. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij dit vindt.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op 2 juni 2025 zijn de uitkomsten van het M4Care onderzoek (in conceptversie) met de moeder en de GI gedeeld. De rechtbank haalt daarbij de volgende passage uit het onderzoeksverslag aan:
“Verder onderzoek naar de interactie, en dan met name de hechting, tussen [voornaam minderjarige] en beide ouders én de invloed van de meegemaakte ingrijpende gebeurtenissen wordt dan ook sterk aangeraden, zodat er zo snel mogelijk ingezet kan worden op stabiliteit voor het hele gezin. Er wordt geadviseerd om in te zetten op langdurige en specialistische ondersteuning, mogelijk in de vorm van een gezinsopname en gezinsdiagnostiek.”
5.5.
De vraag die in de kern voorligt aan de rechtbank is op welke wijze er gevolg dient te worden gegeven aan het advies van M4care om langdurige en specialistische ondersteuning in te zetten op de trauma- en hechtingsproblematiek van [voornaam minderjarige] . De GI en de moeder verschillen daarover sterk van mening. Zowel de GI als de moeder betwisten de wenselijkheid en haalbaarheid van elkaars plannen, wat de samenwerking tussen hen bemoeilijkt. M4Care heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de geadviseerde ondersteuning beter in de vorm van een klinische opname van [voornaam minderjarige] bij Yulius (visie GI), dan wel middels opvoedondersteuning van Sterk in Regie in de thuissituatie, (visie moeder) kan worden geboden. De rechtbank is echter van oordeel dat een klinische opname bij Yulius passend is bij het advies om “langdurige en specialistische ondersteuning, mogelijk in de vorm van een gezinsopname en gezinsdiagnostiek” in te zetten. Een thuisplaatsing met ambulante opvoedondersteuning wordt op dit moment niet passend geacht bij de problematiek van [voornaam minderjarige] . Bij de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in oktober 2024 bleek de moeder regelmatig overbelast te zijn en vond zij het moeilijk om met het gedrag van [voornaam minderjarige] om te gaan. Het gedrag van [voornaam minderjarige] is in de tussentijd alleen maar heftiger geworden, wat er toe heeft geleid dat zelfs het laatste pleeggezin, waar de pleegmoeder deskundig is als het gaat om gedragsproblematiek, [voornaam minderjarige] niet kon handhaven. Het is dan ook in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij hiervoor eerst een passende behandeling krijgt, alvorens over te gaan tot een terugplaatsing, waarvan reëel is dat deze - gelet op de heftigheid van de problematiek - zal mislukken. Yulius, en meer specifiek de groep [naam groep] , is specifiek gericht op kinderen in de leeftijdscategorie van [voornaam minderjarige] met trauma- en hechtingsproblematiek. Yulius biedt een intensief behandeltraject, waarbij tevens observatie en diagnostiek kan plaatsvinden. Ook een gezinsopname en de uitvoering van het KSCD-onderzoek zouden onderdeel kunnen worden van deze klinische opname en daarmee kan een zo volledig mogelijk beeld worden verkregen van [voornaam minderjarige] en de moeder. De rechtbank begrijpt de wens van de moeder dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk bij haar komt wonen, maar het mislopen van een thuisplaatsing zal extra trauma en schade bij [voornaam minderjarige] teweeg brengen en dit is niet in het belang van [voornaam minderjarige] . Een continuering van het verblijf van [voornaam minderjarige] bij [naam locatie] te [verblijfplaats] met aansluitend een opname bij [naam groep] van Yulius is dan ook passend. De rechtbank overweegt daarbij uitdrukkelijk dat nog steeds het doel is dat [voornaam minderjarige] uiteindelijk succesvol terug bij de moeder wordt geplaatst en dat voornoemde klinische opname daaraan bijdraagt.
5.6.
De rechtbank heeft acht geslagen op de beschikking van 14 mei 2025 van het gerechtshof waarin onder meer is overwogen dat de GI zich na afronding van het onderzoek van M4Care ten volle moet inzetten om [voornaam minderjarige] op korte termijn terug te plaatsen bij de moeder. Onderhavige beslissing van de rechtbank is niet in lijn met deze overweging. De rechtbank is echter van oordeel dat de uitkomst van het M4Care onderzoek, alsmede de omstandigheid dat de gedragsproblematiek van [voornaam minderjarige] alleen maar toeneemt, hiertoe aanleiding geeft.
5.7.
Het bovenstaande betekent voor de beslissing op de verzoeken het volgende.
Het verzoek met zaaknummer C/10/700031
5.8.
De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2025.
5.9.
De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
De rechtbank wijst het zelfstandige verzoek van de moeder om de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op te heffen af.
Het verzoek met zaaknummer C/10/696081
5.11.
De afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg wordt niet langer gebruikt en is ingehaald door de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Alleen al op die grond, wijst de rechtbank het (voorwaardelijke) verzoek van de moeder om de hiervoor afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing op te heffen, af.
Ten aanzien van het (zelfstandige) verzoek vervanging van de GI:
5.12.
Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de GI die het toezicht heeft, vervangen door een andere GI, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.
5.13.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat het in het belang van [voornaam minderjarige] is dat de GI die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
5.14.
Volgens de moeder heeft de GI haar van meet af aan gediskwalificeerd, is het vertrouwen tussen de moeder en de GI onherstelbaar beschadigd en kan van de moeder in redelijkheid geen samenwerking meer met de GI worden verwacht. De rechtbank begrijpt dat de moeder wil dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk weer bij haar komt wonen en dat zij daarom niet tevreden is over de samenwerking met de GI, maar dat alleen is onvoldoende om een GI te vervangen. Het feit dat de GI niet handelt overeenkomstig de wensen van de moeder, maakt niet dat de GI de moeder daarmee diskwalificeert. Evenmin geeft de GI er blijk van te handelen in strijd met de belangen van [voornaam minderjarige] . Integendeel, de GI heeft een gedegen plan om een zo succesvol mogelijke thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder te realiseren. Daarbij zal een vervanging van de GI aanzienlijke nadelen voor [voornaam minderjarige] met zich brengen. Een overdracht naar een andere GI en daarmee een andere jeugdbeschermer zal leiden tot verlies van informatie en kennis en een vertraging van het huidige hulpverleningstraject, wat niet in belang van [voornaam minderjarige] is. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de moeder om de GI te vervangen af.
Ten aanzien van het (zelfstandige) verzoek tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof:
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat voor het verzoek van de moeder om tenuitvoerlegging van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 14 mei 2025 te gelasten, geen wettelijke grondslag bestaat. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/700031 / JE RK 25-1021
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van beide zaaknummers
6.3.
wijst de (zelfstandige) verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Pöll, voorzitter tevens kinderrechter en mr. S. Jordaan en mr. Ü. Gümüs, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.