De vrouw verzocht de rechtbank Rotterdam om een Kazachse rechterlijke uitspraak tot kinderalimentatie ten uitvoer te leggen in Nederland. De Kazachse rechtbank had de man bij verstek veroordeeld tot betaling van een vierde deel van zijn maandelijkse inkomen ten behoeve van hun minderjarige zoon. De rechtbank beoordeelde haar internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht, waarbij het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing werd geacht.
De rechtbank stelde vast dat de Kazachse rechter zijn bevoegdheid uitsluitend baseerde op een administratieve registratie, terwijl de man feitelijk niet in Kazachstan woonde ten tijde van de procedure. Bovendien had de Kazachse rechter het verkeerde materiële recht toegepast; hij had Engels recht moeten toepassen volgens het Haags Alimentatieprotocol 2007, maar hanteerde Kazachs recht zonder motivering.
Deze combinatie van onbevoegdheid en onjuiste rechtskeuze leidde tot strijd met de Nederlandse openbare orde, waardoor erkenning en tenuitvoerlegging van de Kazachse uitspraak niet mogelijk was. De rechtbank wees het verzoek daarom af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. De beschikking werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.