De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft verleend voor de realisatie van 34 parkeerplaatsen en een uitweg nabij Plaswijckpark. Verzoekers maken bezwaar tegen deze vergunning en vrezen onomkeerbare aantasting van groen en onveilige verkeerssituaties.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers voldoende spoedeisend belang hebben, gezien de geplande aanleg van de parkeerplaats op 1 oktober 2025. Het college heeft het bouwplan gemotiveerd als noodzakelijk vanwege het wegvallen van twee parkeerlocaties en de maatschappelijke urgentie om parkeerdruk te verminderen. Hoewel het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, verwacht de voorzieningenrechter dat deze motiveringsgebreken in bezwaar kunnen worden hersteld.
Verzoekers stelden dat het bouwplan niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies en dat alternatieven niet voldoende zijn onderzocht. De voorzieningenrechter acht het college bevoegd om beleidsruimte te benutten en vindt dat het college de belangen afgewogen heeft. Ook het bezwaar tegen de in- en uitrit wordt verworpen, omdat de verkeersveiligheid volgens een mobiliteitsexpert niet wordt geschaad.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de omgevingsvergunning niet wordt geschorst en de gemeente mag overgaan tot aanleg van de parkeerplaats, wel voor eigen risico omdat het besluit nog niet onherroepelijk is.