ECLI:NL:RBROT:2025:9509

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
C/10/701507 / JE RK 25-1232
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 22 juli 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, betreffende een minderjarige, geboren op [geboortedatum] 2025. De kinderrechter heeft de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voor de duur van een jaar en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een pleeggezin voor de duur van zes maanden. De ouders van de minderjarige zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er zijn zorgen over hun vermogen om een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De moeder heeft een belast verleden en kampt met chronische problematiek, wat heeft geleid tot eerdere uithuisplaatsingen van haar andere kinderen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat het noodzakelijk is om haar in het huidige pleeggezin te laten verblijven. De ouders hebben verzet aangetekend tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar de kinderrechter heeft geoordeeld dat de belangen van de minderjarige voorop staan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701507 / JE RK 25-1232
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. Brouwer, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling William Schrikker stichting Jeugdbescherming en
Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de Raad (met bijlagen) van 17 juni 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het raadsrapport van 26 juni 2025, ontvangen op 27 juni 2025;
  • de brief van de GI van 10 juli 2025, ontvangen op 11 juli 2025;
  • de briefrapportage van de GI van 16 juli 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het schriftelijk verweer, ingediend namens de vader door mr. R.W. de Gruijl op
21 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar waarnemend advocaat mr. F. Pool;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1] ;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de nicht vaderszijde, [naam 4] .
1.4.
De vader en zijn advocaat zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Op 24 april 2025 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 april 2025 tot 24 juli 2025.
2.3.
Op 28 mei 2025 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (bestands)pleeggezin voor de duur van vier weken. Op 6 juni 2025 heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd tot 24 juli 2025.
2.4.
[minderjarige] verblijft momenteel in een (bestands)pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. [minderjarige] is een heel jong en kwetsbaar kindje dat volledig afhankelijk is van de zorg van haar opvoeders. De moeder heeft een belast verleden en kampt met chronische problematiek. Hierdoor lukt het haar niet om voor haar kinderen te zorgen. Zij heeft moeite om aan te sluiten bij de behoeften van haar kinderen en is niet leerbaar. De andere kinderen van de moeder zijn hierdoor ernstig emotioneel beschadigd geraakt. Het is van belang dat [minderjarige] een goede start krijgt in haar leven. De basis voor haar toekomst wordt nu gelegd. Het is daarom in haar belang dat zij in het pleeggezin blijft. De Raad benadrukt dat [minderjarige] rust en stabiliteit nodig heeft. Het zou schadelijk zijn om haar steeds te verplaatsen. De komende periode moet worden bekeken wat de zorgbehoeften van [minderjarige] zijn en of de ouders in zijn staat zijn om aan deze behoeften te voldoen. Hiervoor moet aanvullend onderzoek worden gedaan door het KSCD, waarin ook de vader wordt meegenomen. Ook is het van belang om te onderzoeken of het netwerk van de ouders een rol kan spelen in de zorg voor [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er is nog geen begin gemaakt met het KSCD-onderzoek. De aanvraag kan nog niet bij het KSCD worden ingediend vanwege ontbrekende handtekeningen van de ouders. Er is een wachtlijst, maar onderzoeken naar het opgroeiperspectief van kinderen onder de twee jaar krijgen voorrang. Het onderzoek zelf duurt minimaal drie maanden. Daarnaast is een aanmelding gedaan bij pleegzorg voor een screening van het netwerkpleeggezin. Ook voor die screening zijn er lange wachtlijsten. Een screening duurt maximaal drie maanden. Hoewel het eerdere KSCD-rapport uit 2022 dateert, is die informatie nog steeds actueel. De GI is ook betrokken bij de andere, uit huis geplaatste kinderen van de moeder en heeft tijdens huisbezoeken waargenomen dat de moeder schadelijk oudergedrag vertoont. Over de rol van de vader van [minderjarige] is nog steeds geen duidelijkheid. Van alle omgangsmomenten die er tot nu toe zijn geweest is de vader er, vanwege zijn werk, maar bij één geweest. De GI heeft ook nog steeds geen contactgegevens van hem ontvangen. De resultaten van het KSCD-onderzoek zijn cruciaal om te bepalen of [minderjarige] kan worden teruggeplaatst. Daarna zal duidelijk moeten worden wat de vraag aan het netwerk van de ouders is. Het netwerk is heel betrokken. De nicht vaderszijde, [naam 4] , is aangemeld voor netwerkscreening. Op 9 juli 2025 is er een schriftelijke aanwijzing aan de moeder verstrekt betreffende de uitvoering van de omgangsregeling. De GI heeft een aanmelding gedaan bij vier neutrale instanties om de begeleide omgang van de GI over te nemen. Ook daarvoor zijn wachtlijsten. Het per brief van 10 juli 2025 door de GI aan de kinderrechter gedane verzoek om de zaak meervoudig te behandelen wordt nu niet gehandhaafd. Dit verzoek zal mogelijk in een later stadium opnieuw worden gedaan.
4.2. De vader verzet zich tegen een ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Namens de vader is schriftelijk – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De vader is samen met de moeder in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Doordat in de briefrapportage van de GI van 16 juli 2025 geen kritiek op hem wordt gegeven, gaat de vader ervan uit dat de GI tevreden over hem is. Hij heeft ook vanaf de geboorte van [minderjarige] volledig inzicht getoond in wat [minderjarige] nodig heeft. De vader is bereid om mee te werken aan het KSCD-onderzoek. De samenwerking met de GI verloopt moeizaam.
4.3.
De moeder sluit zich aan bij de vader. Door en namens haar is – samengevat – verder het volgende naar voren gebracht. De moeder maakt zich grote zorgen over de verzorging en de veiligheid van [minderjarige] . Zij wil daarom graag dat [minderjarige] in het netwerk wordt geplaatst. [minderjarige] kan terecht bij de nicht van de vader, [naam 4] . Een netwerkplaatsing heeft altijd de voorkeur. Toen deze optie eerder op tafel lag, was het ook niet nodig om een volledige screening af te wachten. De moeder ziet niet in waarom dat nu wel moet worden afgewacht. Als [minderjarige] wel bij het pleeggezin blijft, wil de moeder graag dat de machtiging voor een kortere periode wordt verleend en dat het overig verzochte wordt aangehouden, zodat er tussentijds een toetsmoment is. Er wordt te veel gefocust op het verleden van de moeder. Er moet meer naar de huidige situatie worden gekeken. De opvoedkwaliteiten van de vader worden onderbelicht.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht van de GI. Daarnaast verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin. De kinderrechter acht dat noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
[minderjarige] is een baby van ongeveer 2,5 maand oud. Al voor haar geboorte is zij voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, onder meer omdat bij de moeder sprake zou zijn van structurele onmacht om een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. De zeven oudere kinderen van de moeder zijn om die reden eerder uit huis geplaatst. In de afgelopen twee maanden hebben er meerdere juridische (spoed)procedures plaatsgevonden, waarbij diverse verblijfsmogelijkheden voor [minderjarige] zijn onderzocht. Uiteindelijk is [minderjarige] , nadat zij het ziekenhuis mocht verlaten, in een pleeggezin geplaatst, waar zij tot op heden verblijft.
5.3.
De Raad heeft in de tussentijd een beschermingsonderzoek uitgevoerd. Uit het raadsrapport, de overige stukken en de tijdens de mondelinge behandeling daarop gegeven toelichting blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders lijken [minderjarige] niet te kunnen bieden wat zij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. In 2022 heeft het KSCD een onderzoek uitgevoerd, waaruit naar voren is gekomen dat de moeder licht verstandelijk beperkt is, moeilijk leerbaar is en over onvoldoende mentaliserend vermogen beschikt. Dat heeft bij haar oudere kinderen nadelige gevolgen gehad voor hun emotieregulatie en hechting. Het KSCD heeft geconcludeerd dat de leerbaarheid van de moeder onvoldoende is om op enig moment zelfstandig vorm te kunnen geven aan de veranderende opvoedbehoeften van een kind. Op dit moment is er geen aanleiding om aan de conclusie van het KSCD te twijfelen. Daarvoor moet eerst aanvullend onderzoek worden verricht, waarin ook wordt gekeken naar de opvoedcapaciteiten van de vader. Daar is nog onvoldoende zicht op. Zo lang er nog geen duidelijkheid is, acht de kinderrechter het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij in het huidige pleeggezin blijft. [minderjarige] is nog erg klein en kwetsbaar en volledig afhankelijk van haar verzorgers. Bovendien wordt nu de basis gelegd voor een veilige hechting, die essentieel is voor een goede ontwikkeling. Daarvoor is nodig dat [minderjarige] verzorgers heeft die in staat zijn om sensitief en responsief te reageren. De moeder heeft haar zorgen uitgesproken over de verzorging en veiligheid van [minderjarige] in het pleeggezin. Dat [minderjarige] niet goed verzorgd wordt en dat haar veiligheid in het geding is, is de kinderrechter echter niet gebleken. Begrijpelijk is dat de ouders liever willen dat [minderjarige] in een netwerkpleeggezin wordt geplaatst. De kinderrechter acht een overplaatsing op dit moment echter niet in het belang van [minderjarige] , die, zoals gezegd, erg klein en kwetsbaar is en gebaat is bij rust en stabiliteit.
5.4.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Tevens zal de kinderrechter een machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de verzochte duur van zes maanden. Van belang is dat het KSCD-onderzoek zo snel mogelijk van start gaat, zodat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de mogelijkheden van de ouders en het opgroeiperspectief van [minderjarige] . De ouders zullen daarvoor echter eerst de benodigde handtekeningen moeten zetten. Verder zal in de komende periode het netwerkpleeggezin gescreend moeten worden, zodat duidelijk wordt of [minderjarige] daar kan opgroeien als dat nodig is. Ten slotte acht de kinderrechter van groot belang dat de (begeleide) omgang tussen [minderjarige] en de ouders in de komende periode wordt voortgezet en, als dat mogelijk blijkt, wordt uitgebreid, zodat de ouders kunnen (blijven) werken aan hun band met [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat daarbij, vanzelfsprekend, voorop.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, met ingang van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 22 juli 2025 tot 22 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025 door
mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.