ECLI:NL:RBROT:2025:9519

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
ROT 25/5193
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaarArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag gebruik geweldsmiddelen buitengewoon opsporingsambtenaren

Op 19 februari 2025 diende een instantie een aanvraag in voor een akte voor het gebruik van geweldsmiddelen door buitengewoon opsporingsambtenaren. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft slechts deels op deze aanvraag beslist op 17 april 2025, waarmee de beslistermijn van drie maanden, die uiterlijk op 19 mei 2025 verliep, werd overschreden.

De instantie stelde de staatssecretaris op 18 juni 2025 in gebreke en startte op 3 juli 2025 een beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was en bepaalde dat de staatssecretaris binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan de instantie.

De uitspraak werd gedaan door rechter P. Vrolijk en griffier H. Sabanovic op 5 augustus 2025 zonder zitting. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De staatssecretaris moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2025 in de zaak tussen

[naam instantie] , uit [plaats 1] , de [afkorting naam instantie]

(gemachtigde: mr. C.M.M. van Mil),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Justis, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. M.H. Kazem),

met als derde-partij [persoon A] , uit [plaats 2] .

Inleiding

1. Op 19 februari 2025 heeft de [afkorting naam instantie] een aanvraag ingediend. Daarop heeft de staatssecretaris deels beslist op 17 april 2025. Op 3 juli 2025 heeft de [afkorting naam instantie] een beroep niet tijdig beslissen ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens de [afkorting naam instantie] niet op tijd volledig heeft beslist op de aanvraag van 19 februari 2025. Ook heeft de [afkorting naam instantie] de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. [1]
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. De [afkorting naam instantie] heeft de aanvraag ingediend op 19 februari 2025. Dit betreft een aanvraag voor een akte voor het gebruik van geweldsmiddelen voor buitengewoon opsporingsambtenaren. Voor zulke aanvragen geldt voor de staatssecretaris een beslistermijn van drie maanden. [3] Dat staat in artikel 7 van Pro het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit boa). De staatssecretaris had dus uiterlijk op 19 mei 2025 moeten beslissen. De staatssecretaris heeft te kennen gegeven nog niet volledig te hebben beslist op de aanvraag van de [afkorting naam instantie] . De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels voorbij. De [afkorting naam instantie] heeft de staatssecretaris op 18 juni 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Van zulke gevallen is niet gebleken. De rechtbank zal daarom bepalen dat de staatssecretaris binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de staatssecretaris het griffierecht aan de [afkorting naam instantie] vergoeden en krijgt de [afkorting naam instantie] ook een vergoeding voor de gemaakte proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van de [afkorting naam instantie] een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan de [afkorting naam instantie] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 385,- aan de [afkorting naam instantie] moet vergoeden;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan de [afkorting naam instantie] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zaaknummer ROT 25/5194.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel artikel 7 van Pro de het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit Boa).