Op 19 februari 2025 diende een instantie een aanvraag in voor een akte voor het gebruik van geweldsmiddelen door buitengewoon opsporingsambtenaren. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft slechts deels op deze aanvraag beslist op 17 april 2025, waarmee de beslistermijn van drie maanden, die uiterlijk op 19 mei 2025 verliep, werd overschreden.
De instantie stelde de staatssecretaris op 18 juni 2025 in gebreke en startte op 3 juli 2025 een beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was en bepaalde dat de staatssecretaris binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan de instantie.
De uitspraak werd gedaan door rechter P. Vrolijk en griffier H. Sabanovic op 5 augustus 2025 zonder zitting. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.