Verzoekster, samen met haar minderjarige kinderen, is in 2023 vanuit Suriname naar Nederland gekomen en heeft tot nu toe bij familie verbleven. Omdat dit verblijf niet langer mogelijk is, heeft zij een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. Verzoekster stelde dat zij en haar dochter dringend opvang nodig hebben en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft omdat haar huidige verblijf bij familie slechts tijdelijk is en haar dochter vanaf september alleen bij familie in Rotterdam kan verblijven. De kernvraag was of verzoekster niet zelfredzaam is en daardoor recht heeft op maatschappelijke opvang volgens de Wmo 2015.
Uit het dossier blijkt dat verzoekster steeds onderdak heeft weten te vinden binnen haar sociale netwerk, recentelijk werk heeft gevonden en binnenkort start met een leer-werktraject. Ook onderhoudt zij contact met maatschappelijke instanties. Dit alles wijst erop dat zij zich op eigen kracht kan handhaven. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster een huisvestingsprobleem heeft, maar niet voldoet aan de criteria voor maatschappelijke opvang omdat zij zelfredzaam is.
Het college heeft bovendien toegelicht dat opvangplaatsen beperkt zijn en dat het toewijzen van opvang aan verzoekster ten koste zou gaan van personen die niet zelfredzaam zijn. Het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) werd verworpen omdat de belangen van de minderjarige dochter voldoende zijn meegewogen. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.