De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen een vader en zijn jongmeerderjarige zoon over de onderhoudsbijdrage. De vader verzocht de bijdrage op nihil te stellen vanwege het ontbreken van contact en onzekerheid over de behoefte van de zoon. De zoon verzocht afwijzing van dit verzoek en gaf aan voltijds onderwijs te volgen en inkomsten uit een bijbaantje te hebben.
De rechtbank constateerde een wijziging van omstandigheden sinds de echtscheiding van de ouders in 2018, waarbij de zoon inmiddels meerderjarig is, studeert en eigen inkomsten heeft. De rechtbank hanteerde de aanbevelingen uit het Tremarapport 2025 voor de berekening van de behoefte en hield rekening met de inkomsten van de zoon.
Hoewel de vader stelde dat de bijdrage in 2025 lager moest zijn vanwege hogere inkomsten van de zoon, oordeelde de rechtbank dat deze wijziging niet rechtens relevant was, gezien het wisselende en tijdelijke karakter van het inkomen. De onderhoudsbijdrage werd vastgesteld op €227 per maand vanaf 21 maart 2024, met een jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2025.
De procedurekosten werden ieder door de eigen partij gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.