De veroordeelde, eerder veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier weken en twaalf jaren, werd op 5 augustus 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, begeleid wonen en middelencontroles. Na een schorsing en voorlopige herroeping werd hij op 28 maart 2025 opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Op 11 juni 2025 diende het openbaar ministerie een vordering in tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens herhaaldelijke schending van de voorwaarden, waaronder het niet naleven van meldplicht, begeleid wonen, urinecontroles en een open, gemotiveerde houding. De veroordeelde was niet aanwezig bij de zitting vanwege een open beenwond.
De rechtbank oordeelde dat ondanks initiële positieve ontwikkelingen, de veroordeelde meerdere meldplichten had gemist, onvoldoende aanwezig was op zijn begeleid wonen locatie, en niet meewerkte aan middelencontroles. De kans op recidive werd hoog geacht en de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor 365 dagen werd gerechtvaardigd. De overige voorwaarden blijven van kracht.