ECLI:NL:RBROT:2025:9678

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
10/290782-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging ISD-maatregel wegens onvoldoende motivatie en recidiverisico

De rechtbank Rotterdam behandelde op 28 juli 2025 het verzoek van de veroordeelde tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel, die op 22 augustus 2024 voor twee jaar was opgelegd. De veroordeelde betoogde dat hij gemotiveerd is om zijn leven te beteren, met onder meer het aanvragen van een paspoort, het verkrijgen van een rijbewijs, het openen van een bankrekening, het vinden van werk en het inschrijven voor een woning. Hij stelde dat hij geen middelen gebruikt en niet is teruggevallen in criminaliteit, en dat beëindiging van de maatregel geen onveiligheid zou veroorzaken.

De officier van justitie stelde echter dat voortzetting noodzakelijk is omdat de hulpverlening niet tot stand komt en dat dit geen reden is voor vroegtijdige beëindiging. De rechtbank nam kennis van een verklaring van de inrichting en een deskundigenverklaring van een senior casemanager ISD.

De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde onvoldoende gemotiveerd is om mee te werken aan behandeling en begeleiding, wat noodzakelijk is om recidive te voorkomen. Voorts is het recidiverisico onverminderd aanwezig bij beëindiging van de maatregel. Ook is geen sprake van omstandigheden buiten de macht van de veroordeelde die voortzetting zinloos maken. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bepaalde dat de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel wordt afgewezen en de maatregel wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf
Parketnummer: 10/290782-23
Datum uitspraak: 28 juli 2025
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
gedetineerd in [detentieadres].
Raadsman mr. F.G.J. Staals, advocaat te Amsterdam.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 22 augustus 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

2.Procesverloop

Op 1 juli 2025 heeft de griffie van de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv ontvangen. Het verzoek is namens de veroordeelde gedaan en strekt tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
Op 22 juli 2025 heeft de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft (hierna: de directeur) een verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel opgemaakt (hierna: de verklaring van de inrichting).
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 28 juli 2025. De officier van justitie mr. N. Daalder, de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord [naam], als senior casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.

3.Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel. De veroordeelde lijkt zich niet neer te willen leggen bij de reeds eerder genomen beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel. Dat de hulpverlening niet tot stand komt, vormt naar het oordeel van het openbaar ministerie echter geen gegronde reden om de maatregel vroegtijdig te beëindigen.
De veroordeelde en de raadsman hebben beëindiging van de ISD-maatregel bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde gemotiveerd is om zijn leven op de rit te krijgen. Zo heeft de veroordeelde een paspoort aangevraagd, een rijbewijs ontvangen en een bankrekening geopend. Ook heeft de veroordeelde buiten de kliniek werk gevonden en staat hij ingeschreven voor een woning. De veroordeelde beschouwt zijn huidige leven als stabiel en er is geen sprake van middelengebruik. Bovendien is de veroordeelde niet teruggevallen in criminaliteit nadat hij medio 2024 uit detentie is ontslagen met een voorwaardelijke ISD-maatregel en zal de beëindiging van de ISD-maatregel niet leiden tot onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Voortzetting van de maatregel is bovendien niet zinvol door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt, nu tot op heden door de inrichting geen verblijfs- of trajectplan is opgesteld met als insteek wonen en werken.

4.Beoordeling door de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is, dient allereerst te worden vastgesteld of beëindiging van de maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid, overlast en verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt.
De rechtbank is van oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is voor de beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive. Bij de beoordeling heeft de rechtbank gelet op de verklaring van de inrichting, het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde en hetgeen ter zitting door de partijen naar voren is gebracht. De veroordeelde is onvoldoende gemotiveerd om zich in te zetten voor gedragsverandering en heeft daartoe ter terechtzitting ook verklaard moe te zijn en niet mee te willen werken aan behandeling en begeleiding. De rechtbank ziet echter dat de veroordeelde hulp en begeleiding nodig heeft om vervolgstappen te kunnen zetten en om het recidiverisico te beperken. Indien de ISD-maatregel op dit moment zou eindigen en de veroordeelde zonder behandeling en begeleiding voor zijn problematiek terugkeert in de samenleving, is het recidiverisico onverminderd aanwezig. De rechtbank ziet hierin, alsmede in het feit dat voorafgaand aan de oplegging van de onderhavige ISD-maatregel reeds twee maal eerder een ISD-maatregel aan de veroordeelde is opgelegd, aanwijzingen om aan te nemen dat de opheffing van de ISD-maatregel zal leiden tot onveiligheid, overlast en verloedering van het publieke domein.
Voorts is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die buiten de macht van de veroordeelde liggen op grond waarvan voortzetting van de maatregel niet meer zinvol is. Uit het verslag van de inrichting komt immers naar voren dat een goede behandeling van veroordeelde met name niet van de grond komt omdat hij niet gemotiveerd is om mee te werken aan trainingen en gesprekken gericht op gedragsverandering en aanpak van zijn persoonlijkheidsproblematiek.
Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is dus nog altijd vereist. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan en het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

5.Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;
bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en M. Nijboer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van deze beslissing is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.