Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
Procesverloop
.
Rechtbank Rotterdam
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het door het UWV vastgestelde percentage van arbeidsongeschiktheid waarop zijn Wet WIA-uitkering is gebaseerd. Eiser betwist de mate van arbeidsongeschiktheid en de vastgestelde resterende verdiencapaciteit, verwijzend naar zijn medische situatie met hartproblemen, medicatiegebruik en fysieke beperkingen.
De rechtbank toetst of het UWV het medisch oordeel en de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. Uit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat aanvullende beperkingen zijn erkend en dat de functionele mogelijkheden zorgvuldig zijn vastgesteld, rekening houdend met de medische gegevens. De rechtbank oordeelt dat het beroep geen aanleiding geeft het medisch oordeel te verwerpen.
De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 42,89% en de resterende verdiencapaciteit zijn volgens de rechtbank juist vastgesteld. De rechtbank benadrukt dat de beoordeling zich richt op objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid en niet op de door eiser ervaren klachten of de hulp die hij ontvangt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter P.G.J. van den Berg op 15 augustus 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 42,89% wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.