In deze zaak tussen twee aandeelhouders die elk 50% van de aandelen bezitten in een zorgwoningbedrijf, ontstond een conflict over het bestuur. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bedrijf onbestuurbaar was geworden doordat een van de bestuurders sinds april 2025 afwezig en onbereikbaar was, wat de continuïteit van de zorg voor cliënten bedreigde.
De voorzieningenrechter besloot de statutair bestuurder die afwezig was tijdelijk te schorsen, totdat de Ondernemingskamer uitspraak doet over het definitieve bestuur. De vordering om de eiseres tijdelijk zelfstandig bevoegd statutair bestuurder te benoemen werd afgewezen wegens onvoldoende belang.
Daarnaast werd geoordeeld dat een bedrag van €20.000 onverschuldigd aan de gedaagde was betaald, omdat geen vaste managementvergoeding was overeengekomen en de gedaagde in de betreffende maanden geen werkzaamheden had verricht. De gedaagde werd veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen.