Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster, (hierna: advocaat);
- de heer J.L. Brouwer, beschermingsbewindvoerder, (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 27 maart 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening (moratorium) van zes maanden op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, met als doel de ontruiming van haar woonruimte te voorkomen. Eerder was reeds een moratorium van zes maanden toegekend van september 2023 tot februari 2024.
De rechtbank stelt vast dat de wet geen mogelijkheid biedt om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken. Verzoekster heeft bovendien nog geen schuldhulpverleningstraject opgestart, ondanks haar intentie daartoe. Verweerster heeft aangevoerd dat verzoekster de betalingsverplichtingen niet is nagekomen en dat de huurachterstand is opgelopen, waardoor zij niet langer verplicht kan worden het huurgenot te verschaffen.
Gelet op deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot een tweede moratorium af en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoekster kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen wanneer het minnelijk traject is opgestart. De uitspraak is gedaan door rechter C. de Jong op 12 juni 2025.
Uitkomst: Het verzoek om een tweede moratorium wordt afgewezen en het verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.