Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. Zij kampen met ernstige gezondheidsproblemen en schulden, maar ontvangen inmiddels inkomen uit arbeid en een Ziektewet-uitkering, en staan onder beschermingsbewind. De lopende huurtermijnen worden betaald, waaronder de huur van juli 2025.
Verweerster betwist het verzoek vanwege een huurachterstand van acht maanden en twijfels over de voortgang van het schuldhulpverleningstraject. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie door het vonnis tot ontruiming en het exploot dat ontruiming aankondigt.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die in de woning willen blijven en het schuldhulpverleningstraject willen voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor vier maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens worden verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.