Verzoekster heeft een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. De huurachterstand is ontstaan na verlies van werk en het niet aanvragen van een WW-uitkering. Verzoekster is sinds juni 2025 weer werkzaam, maar zit nog in haar proeftijd en heeft een huurachterstand sinds mei 2024.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het ontruimingsvonnis en de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster de lopende huurbetalingen tijdig zal voldoen. Schuldhulpverlening verklaart dat verzoekster hulp niet structureel voortzet.
Daarom weegt het belang van verweerster, die uitvoering wil geven aan het ontruimingsvonnis, zwaarder dan het belang van verzoekster. De voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid tot hernieuwde indiening.