ECLI:NL:RBROT:2025:9846

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 juni 2025
Publicatiedatum
14 augustus 2025
Zaaknummer
25-008995 en 85-158698-24 en EPPO-l.000815-2023
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 94c SvArt. 724 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beklag tegen conservatoir beslag op geldbedrag in internationaal strafonderzoek

Het Europees Openbaar Ministerie voert een strafrechtelijk onderzoek naar een internationale criminele organisatie die betrokken is bij grootschalige btw-fraude, witwassen en valsheid in geschrifte, gepleegd in Nederland en België. De klager wordt verdacht als stroman en bankkaartenhouder van rekeningen waarvandaan btw-teruggaven naar de Verenigde Arabische Emiraten zijn doorgesluisd.

Op 23 mei 2024 is bij een doorzoeking beslag gelegd op verschillende goederen, waaronder €7.000,- contant geld. Op 17 februari 2025 vaardigde een Belgische onderzoeksrechter een Europees Bevriezingsbevel uit voor dit bedrag, waarna op 17 maart 2025 conservatoir beslag werd gelegd door de Nederlandse gedelegeerd Europees aanklager. De klager verzocht om teruggave van het geld, stellende dat eerdere last tot teruggave niet was nagekomen.

De rechtbank oordeelt dat het beslag rechtmatig is uitgevoerd, dat er sprake is van dubbele strafbaarheid en dat de toetsing van proportionaliteit en subsidiariteit aan de rechter van de uitvaardigende lidstaat is voorbehouden. De eerdere last tot teruggave raakt de rechtmatigheid van het huidige beslag niet. Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beklag tegen het conservatoir beslag op het geldbedrag van €7.000,- wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2
raadkamernummer: 25-008995
parketnummer: 85-158698-24
EOM-nummer: EPPO-l.000815-2023
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam klager] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te Amstel 326, 101 7 AR te Amsterdam,
ten kantore van mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,
hierna te noemen: de klager.

Procedure

Op 2 april 2025 is een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand een schriftelijk standpunt kenbaar gemaakt.
Het klaagschrift is op 27 juni 2025 in openbare raadkamer behandeld. De klager en de officier van justitie/gedelegeerd Europees aanklager, mr. P.P.A.M. Notenboom, zijn gehoord. De raadsman van de klager is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

Feiten

Door het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar een (internationale) criminele organisatie, die zich schuldig zou hebben gemaakt aan (grootschalige) btw-fraude, witwassen en valsheid in geschrifte (artikel 3, tweede lid, onder d en artikel 4, eerste lid van de Richtlijn 2017/1371 juncto artikel 1, derde lid, van Richtlijn (EU) 20 15/849). De feiten zouden zijn gepleegd in Nederland en België. De schade aan de belangen van de Europese Unie bedraagt miljoenen euro’s, door de Belgische belastingdienst in een periode van vier maanden onterecht uitgekeerd. Het onderzoek richt zich tegen meerdere rechtspersonen en natuurlijke personen in Nederland. De klager wordt ervan verdacht als stroman een zogenaamde ‘ultimate beneficial owner’ ofwel belanghebbende te zijn geweest, alsmede bankkaartenhouder op bankrekeningen van [naam] firma’s, waarvandaan de btw-teruggaven naar de Verenigde Arabische Emiraten zouden zijn doorgesluisd.
Op 13 mei 2024 heeft de behandelend gedelegeerd Europees aanklager in België bij ‘decision’ een grensoverschrijdende onderzoeksmaatregel toegewezen aan de assisterend gedelegeerd Europees aanklager in Nederland.
Op 23 mei 2024 is ter uitvoering van de onderzoeksmaatregel bij een doorzoeking op het woonadres van klager te Tilburg, beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro op verschillende goederen, waaronder een contant geldbedrag van € 7.000,-, toebehorende aan de klager.
Op 17 februari 2025 is voor het contante geldbedrag van € 7.000,- door de onderzoeksrechter in België een Europees Bevriezingsbevel (EBB) uitgevaardigd. De reden voor bevriezing is dat het bedrag later aan België kan worden overgemaakt wanneer de rechter in de strafzaak zou beslissen tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldsom.
Op 20 februari 2024 is ter uitvoering van het EBB een machtiging conservatoir beslag gevorderd bij de rechter-commissaris, vanwege de verdenking dat de klager zich heeft schuldig gemaakt aan de naar Nederlands recht strafbaar gestelde misdrijven uit artikel 69 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen, artikel 140 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr), artikel 225 Sr Pro en artikel 420bis Sr.
Op 21 februari 2025 heeft deze rechtbank het beklag tegen het beslag van 23 mei 2024 op grond van artikel 94 Sv Pro, raadkamernummer 24-017994 op zitting behandeld. Ten tijde van de mondelinge behandeling had de rechter-commissaris nog niet op de vordering ex artikel 94a Sv beslist.
Op 21 februari 2025 is deze machtiging door de rechter-commissaris afgegeven.
Op 7 maart 2025 heeft deze rechtbank het beklag ex artikel 94 Sv Pro gegrond verklaard en is de teruggave gelast van het geldbedrag van € 7.000,- aan de klager. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel ingesteld.
Aan de last tot teruggave is geen uitvoering gegeven.
Op 17 maart 2025 te Rotterdam heeft de gedelegeerd Europees aanklager conservatoir beslag gelegd ex artikel 94a Sv, op het geldbedrag van € 7.000,- (goednummer [nummer] ), dat nog onder hemzelf was, als bedoeld in artikel 94a leden 1, 2 en 3 jº 94c Sv en art. 724 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het proces-verbaal van de beslaglegging is aan de klager betekend op 1 april 2025.

Standpunt klager

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 7.000,-
De klager en zijn advocaat hebben aangevoerd dat de gedelegeerde Europese aanklager door het geldbedrag niet terug te geven en het opnieuw in beslag te nemen, heeft gehandeld in strijd met de beslissing van deze rechtbank tot teruggave van het bedrag. Verder is onduidelijk wat de stand van zaken van het Belgische onderzoek is. Gelet daarop dient teruggave van het geldbedrag aan de klager te volgen.

Standpunt gedelegeerd Europees aanklager

De gedelegeerd Europees aanklager stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Op 17 februari 2025 heeft de onderzoeksrechter in België een EBB uitgevaardigd voor de bevriezing van dit geldbedrag (conservatoir beslag). Daaraan is volgens de formaliteiten uitvoering gegeven. Vragen over legaliteit, proportionaliteit en subsidiariteit zijn niet aan de orde, omdat het een onderzoek van de Belgische onderzoeksrechter is.

Beoordeling

Grondslag beslag
Het systeem van het EBB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EBB beperkt is. Op grond van artikel 5.5.16 Sv kan de officier van justitie de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EBB alleen weigeren als één van de gronden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening 2018/1805 1, van toepassing is.
Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.5.18 juncto artikel 552a Sv toetst de rechter de rechtmatigheid van de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van het EBB en de wijze waarop het EBB ten uitvoer is gelegd. De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid Sv, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het EBB. De materiële gronden van het EBB kunnen namelijk op grond van artikel 33 lid 2 van Pro Verordening 2018/1805 niet in de uitvoerende staat voor een rechter worden aangevochten. De Nederlandse rechter kan dus niet beoordelen of het EBB conform het recht van uitvaardigende lidstaat is uitgevaardigd. Daartoe dient de belanghebbende zich te richten tot de rechter van die lidstaat (Kamerstukken II 2019/20, 35402, 3, p. 18). Ook de toetsing van het EBB op proportionaliteit en subsidiariteit is voorbehouden aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat.
Toetsing
De rechtbank stelt vast dat de autoriteiten van België een EBB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar witwassen, valsheid in (private) geschriften en ernstige en georganiseerde btw-fraude, in het kader van een criminele organisatie, dat zowel strafbaar is gesteld in Nederland als in België.
Met een machtiging van de rechter-commissaris is ter uitvoering van dit EBB beslag op het geldbedrag van de klager gelegd. De uitvoeringshandelingen zijn rechtmatig, volgens de eisen van de wet, uitgevoerd door de Nederlandse autoriteiten. Het geldbedrag is voor beslag vatbaar, er is een dubbele strafbaarheid en het beslag dient ertoe het geld te bewaren voor in de Belgische procedure. Er doen zich geen weigeringsgronden voor.
Een toets over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag is voorbehouden aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat, België. Inhoudelijke argumenten van de klager en vragen over de voorgang van de strafprocedure, zullen alleen in de Belgische strafprocedure aan de orde gesteld kunnen worden.
Eerdere last tot teruggave
De rechtbank overweegt nog dat rechterlijke beslissingen moeten worden nagekomen en dat aan een last tot teruggave van gelden in beginsel feitelijk uitvoering moet worden gegeven. Het is vervelend voor de klager dat geen gevolg is gegeven aan de eerdere last tot teruggave. Dat raakt echter de rechtmatigheid van de huidige beslaglegging niet.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is op 27 juni 2025 gegeven door de raadkamer,
mr. E.M. Havik, voorzitter,
mr. R.H. Kroon en mr. E.M. Rocha, rechters,
in tegenwoordigheid van T. van Driel, griffier.
De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.