ECLI:NL:RBROT:2025:9856
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring officier van justitie in vordering tot ontneming wederrechtelijk voordeel
De officier van justitie heeft op 25 januari 2019 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend tegen de veroordeelde, die veroordeeld is voor het dealen van harddrugs, het voorhanden hebben van harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. Voorafgaand aan de terechtzitting van 27 juni 2025 zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde over de afdoening van de strafzaken en de ontnemingsprocedure.
Tijdens de terechtzitting heeft de rechtbank de standpunten van partijen gehoord. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben primair verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van de ontnemingsvordering en subsidiair afwijzing daarvan, gelet op de procesafspraken waarbij de veroordeelde afstand doet van de in beslag genomen goederen of de tegenwaarde.
De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende strafrechtelijk belang is voor de ontnemingsvordering, mede omdat het voordeel naar verwachting al is ontnomen door de afstand van de veroordeelde. Daarom verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.