Uitspraak
[eiser],
[gedaagde],
- dat er – bij nadere beschouwing – geen sprake van is geweest dat het uitpad (de strook grond) in het verleden als erfdienstbaarheid was geregeld;
- dat uit de diverse foto’s en verklaringen blijkt dat vanaf 1947 [adres 1] en [adres 2] toegang hadden tot de achterliggende brandgang die uitkomt op de Torenstraat, waarbij op foto’s uit 1979 en 1995 is te zien dat er een grindpad liep;
- dat uit de verschillende akten en uit berekeningen blijkt dat het perceel van [eiser] oorspronkelijk 110 m2 groot was, waar 17 m2 tuin (perceel [gedaagde]) van is afgegaan, zodat 93 m2 resteert (overeenkomstig de akte van levering aan [eiser] van 1 augustus 2003), inclusief de oppervlakte van het pad van circa 9 m2;
- dat de gemeente nooit de eigendom heeft verkregen van de tuin/strook grond;
- dat bij de renovatiewerkzaamheden in 1989/1990 een erfafscheiding is geplaatst ten behoeve van het perceel van [gedaagde], door middel van paaltjes tussen haar tuin en het pad;
- dat uit de bouwvergunning en het bestek voor de renovatie van het pand/perceel van [gedaagde] blijkt (productie 25, onder vragenlijst, met een nadere beschrijving in paragraaf 11) dat de erfafscheidingen worden gevormd door “palen met draad”, en dat gebruik wordt gemaakt van “opsluitbanden 5 x 15 cm, prefabbeton te rekenen op 17 m1”, wat overeenkomt met een omkadering van de (volgens [eiser]) verlaagde tuin van [gedaagde];
- dat uit deze bevindingen op basis van de bouwvergunning en het bestek blijkt dat onwaar is de verklaring van [gedaagde] op de zitting dat zij de erfafscheiding zelf heeft bepaald en gemaakt na de oplevering door de gemeente.