ECLI:NL:RBROT:2025:9931

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 augustus 2025
Publicatiedatum
15 augustus 2025
Zaaknummer
11410646 CV EXPL 24-29083
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgverzekering leidt tot veroordeling tot betaling en incassokosten

De zaak betreft een vordering van FBTO tegen de gedaagde wegens niet-betaalde premies en zorgkosten op grond van een afgesloten zorgverzekering. FBTO stelde dat de gedaagde meerdere betalingsregelingen niet is nagekomen, waardoor de laatste regeling verviel. De gedaagde betwistte de opeisbaarheid van de vordering en stelde dat hij zich aan de betalingsregeling hield en niet op de hoogte was van nieuwe facturen.

De kantonrechter oordeelde dat FBTO terecht de betalingsregeling heeft beëindigd vanwege het niet tijdig betalen van nieuwe nota's, conform de gemaakte afspraken. Uit de stukken bleek dat de gedaagde een zorgkostennota van april 2024 en premies voor mei en juni 2024 niet had betaald. Hierdoor moest de volledige achterstand ineens worden voldaan.

Daarnaast werden incassokosten van €81,88 toegewezen omdat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan. Ook werd wettelijke rente toegewezen over het bedrag vanaf de dagvaarding tot volledige betaling. De totale vordering bedroeg na verrekening van reeds betaalde bedragen €2.198,55.

De gedaagde werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op €1.019,38. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat FBTO direct tot executie kan overgaan. Hiermee werd het geschil over de betalingsachterstand definitief beslecht.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.198,55 aan FBTO met rente en incassokosten, en tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11410646 CV EXPL 24-29083
datum uitspraak: 1 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
vestigingsplaats: Leeuwarden,
eiseres,
gemachtigde: drs. M.D. Brouwer van Syncasso Gerechtsdeurwaarders, te Amsterdam
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘FBTO’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 11 november 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail van FBTO van 6 februari 2025, met bijlagen;
  • de repliek tevens vermindering van eis, met bijlage.
1.2.
[gedaagde] heeft op 15 april 2025 op de repliek gereageerd. Gebleken is echter dat zijn goederen met ingang van 10 februari 2025 onder bewind zijn gesteld. Hierdoor kan hij niet meer zelf in deze procedure optreden.
1.3.
Daarom is bij brief van 13 mei 2025 de bewindvoerder, [naam ], gevraagd of hij/zij de zaak wenst over te nemen en of hij/zij zich aansluit bij de reactie van [gedaagde] van 15 april 2025. De bewindvoerder heeft op dit schrijven niet gereageerd en is anderszins ook niet in de procedure verschenen. Dit betekent dat de dupliek geen onderdeel uitmaakt van het dossier. De kantonrechter heeft hier dus niet naar gekeken.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft bij Achmea een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] premie en zorgkosten aan Achmea betalen. Volgens Achmea heeft [gedaagde] niet alle verschuldigde facturen op grond van de overeenkomst betaald. Achmea heeft haar vordering overgedragen aan FBTO. FBTO eist dat [gedaagde] een bedrag van € 1.978,20 aan FBTO betaalt met rente en kosten. FBTO heeft haar eis verminderd met in totaal € 100,00 die [gedaagde] tijdens de procedure aan de deurwaarder heeft betaald. FBTO eist na die vermindering in totaal nog een bedrag van € 2.198,55.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat FBTO geen opeisbare vordering op hem heeft, omdat hij een betalingsregeling heeft getroffen met FBTO. Ook stelt hij dat hij zich aan die regeling houdt en dat hij er niet van op de hoogte is gesteld dat hij een nieuwe factuur moest betalen.
[gedaagde] moet de betalingsachterstand van € 1.978,20 betalen
2.3.
FBTO heeft al in de dagvaarding aangegeven dat zij meerdere malen een betalingsregeling met [gedaagde] heeft afgesproken, maar dat hij zich telkens niet aan die regelingen houdt. Onderdeel van de afspraak is namelijk dat de lopende premie en nieuwe zorgkosten op tijd worden betaald en dat doet [gedaagde] niet. De laatste betalingsregeling van 10 april 2024 is om die reden vervallen. De kantonrechter ziet in de stukken die door FBTO zijn overgelegd dat het klopt wat zij stelt. [gedaagde] zegt dat een betalingsregeling niet beëindigd mag worden als er een nieuwe nota binnen komt, maar dat klopt niet. Als een nieuwe nota niet op tijd wordt betaald, mag de regeling gestopt worden. Dat staat namelijk zo in de afspraken die zijn gemaakt. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] een zorgkostennota van 9 april 2024 en de premie voor de maanden mei en juni 2024 niet op tijd heeft betaald. FBTO heeft die regeling dus terecht stop gezet. Dit betekent dat [gedaagde] de gehele achterstand in één keer moet betalen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 81,88 betalen
2.4.
De incassokosten van € 81,88 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[gedaagde] moet rente betalen
2.5.
De rente wordt toegewezen, omdat FBTO genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Tot de datum van de dagvaarding gaat het om een bedrag van € 238,47.
[gedaagde] moet in totaal een bedrag van € 2.198,55 aan FBTO betalen
2.6.
Uit het voorgaande blijkt dat op het moment van dagvaarden [gedaagde] in totaal € 2.298,55 aan FBTO moest betalen (de achterstand van € 1.978,20 + de rente van € 238,47 en de incassokosten van € 81,88). Omdat [gedaagde] tijdens de procedure in totaal € 100,00 heeft betaald, wordt hij veroordeeld om aan FBTO € 2.198,55 te betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan FBTO moet betalen op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 372,00 aan griffierecht, € 408,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten) en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.019,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat FBTO dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen € 2.198,55 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.978,20 vanaf 11 november 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van FBTO worden begroot op € 1.019,38;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574