Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was aangekondigd na een proces-verbaal van de kantonrechter van 2 september 2024. Verzoeker had een huurachterstand door het opzeggen van zijn dienstbetrekking en het starten als zelfstandige, maar vond per 1 april 2025 een baan met een jaarcontract en een maandinkomen van circa € 2.350.
Tijdens de zitting verklaarde verzoeker dat de huurbetalingen over mei, juni en juli 2025 voldaan zijn. Schuldhulpverlening bevestigde dat verzoeker gemotiveerd is en dat het schuldhulpverleningstraject in de opstartfase zit zonder zichtbare belemmeringen. Verweerder, die de ontruiming wilde effectueren, was niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de ontruiming uit te voeren. De voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, vanwege het lopende minnelijk traject.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.