Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer [persoon A] , werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen door de kantonrechter vanwege een huurachterstand.
Verzoeker verklaarde dat zijn hoofdinkomen was weggevallen, waardoor hij betalingsachterstanden opliep. Inmiddels heeft hij een arbeidsovereenkomst voor één jaar met een inkomen van circa €3.600 per maand, terwijl de huur circa €1.400 bedraagt. De huur over juli 2025 is inmiddels voldaan. Verzoeker is gemotiveerd om zijn schulden aan te pakken en is aangemeld bij schuldhulpverlening.
Verweerder betwist de toewijzing vanwege de hoge huurachterstand en twijfels over de daadwerkelijke inkomsten van verzoeker. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerder.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende minnelijk traject.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.