ECLI:NL:RBROT:2026:1019

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
ROT 26/14
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.4 WooArt. 1 BpbArt. 2 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen openbaarmaking documenten op grond van de Wet open overheid

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht om bepaalde documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoeksters zijn het niet eens met de openbaarmaking en hebben bezwaar gemaakt. Zij vorderen dat de openbaarmaking wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft op 29 januari 2026 het verzoek behandeld en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. Gezien de onomkeerbaarheid van openbaarmaking is het spoedeisend belang van verzoeksters erkend. Het college heeft bevestigd de openbaarmaking uit te stellen totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter concludeert dat er geen zwaarderwegende belangen zijn die een eerdere openbaarmaking rechtvaardigen. Daarom wordt het bestreden besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoeksters. De uitspraak is bindend voor de rechtbank in een eventueel bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De openbaarmaking van documenten wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/14

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

Pelican Key Legal Consultancy (PKLC) B.V.en
Johan van Oldenbarneveltstichting, uit Dordrecht, verzoeksters
(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, het college

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]),
met als derde-partij
[naam 3], uit Zwijndrecht, de Woo-verzoekster
(gemachtigde: [naam 4]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit op een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoeksters zijn het met de (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten niet eens en willen dat de stukken niet openbaar worden gemaakt totdat is beslist op het bezwaar dat tegen het besluit is gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 31 december 2025 heeft het college een besluit genomen op het Woo-verzoek van de Woo-verzoekster en bepaald dat bepaalde documenten openbaar zullen worden gemaakt. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij hebben bezwaar gemaakt en de voorlopige voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeksters, de Woo-verzoekster en haar gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Op 11 augustus 2025 heeft de Woo-verzoekster bij het college verzocht om:

“alle correspondentie, verslagen, documenten, notities, gespreksverslagen en memo’s tussen enerzijds de gemeente Zwijndrecht (daaronder mede leden van het college van burgemeester en wethouders, ambtenaren, wijkteams en voormalig Burgemeester de heer Haan en Gemeentesecretaris [naam 5]), en:

- De Johan van Oldenbarnevelt Stichting (en/of haar medewerkers, waaronder de heer

mr. E. G. J. M. Meijer mede begrepen);

- PKLC B. V. (en/of haar medewerkers, waaronder de heer mr. E. G.J. M. Meijer mede begrepen);

Ook is cliënte bereid om de reikwijdte van haar Woo-verzoek in tijd te beperken tot documentatie die is vervaardigd tussen 1 januari 2023 en de dagtekening van dit schrijven.”

Dit verzoek is op verzoek van het college door de Woo-verzoekster op 2 september 2025 gespecificeerd:
“alle correspondentie, documenten, notities, gespreksverslagen en memo’s tussen de
genoemde beambten van de gemeente Zwijndrecht en de Johan van Oldenbarnevelt
Stichting en PKLC B. V., voor zover deze documentatie betrekking heeft op het hinderdossier van cliënte (Prinsessenpark) of andere dossiers waarbij de JvO Stichting en/of PKLC zowel burgers als de Gemeente Zwijndrecht bijstond of adviseerde. Daarbij verdient opmerking dat het gevoerde overleg met interim-burgemeester Haan zou hebben plaatsgevonden tussen 16 januari 2025 en 24 april 2025.
Voorts verzoekt zij alle correspondentie en documentatie waarin de JvO Stichting en/of
PKLC B.V. zich presenteert als partner, opdrachtnemer, belangenbehartiger of adviseur van de Gemeente Zwijndrecht.
Alle interne gemeentelijke documenten waarin wordt gesproken over (mogelijke)
belangenconflicten of de rol van de JvO Stichting en/of PKLC B.V. bij het behartigen van
belangen van zowel burgers als de Gemeente Zwijndrecht.”
4. Het college heeft zeventien documenten geïnventariseerd waarbij deels belangen van derden spelen (waaronder verzoeksters). Nadat zij in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze in te dienen, heeft het college het bestreden besluit genomen en bepaald dat de betreffende documenten (deels) openbaar gemaakt zullen worden.
Waar gaat het om in deze zaak?
5. Verzoeksters zijn het niet eens met dit besluit en willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de betreffende documenten niet openbaar worden gemaakt. De Woo-verzoekster heeft aangevoerd dat zij dient te beschikken over de stukken om niet benadeeld te worden in haar procespositie in de bezwaarprocedure tegen het bestreden besluit. Daarnaast is zij bezig met het voorbereiden van een dossier voor een vervolgprocedure, waarvoor zij de stukken nodig heeft.
Spoedeisend belang
6. Een voorlopige voorzieningenprocedure is een spoedprocedure. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. [1]
7. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, worden de gevraagde documenten openbaar gemaakt. Dit is onomkeerbaar. Daarmee hebben verzoeksters voldoende spoedeisend belang bij het verzoek.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
8. In artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo is bepaald dat, indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb, de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. In lijn met die wettelijke bepaling heeft het college bevestigd de feitelijke openbaarmaking van de documenten horende bij het bestreden besluit uit te stellen totdat in deze procedure uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan.
9. De vraag die nu voorligt, is of de openbaarmaking langer moet worden opgeschort. Als de documenten vooruitlopend op een beslissing op het bezwaar al openbaar gemaakt worden, dan is de bezwaarprocedure feitelijk zinloos geworden. De openbaarmaking van de documenten is immers onomkeerbaar. Daarmee hebben verzoeksters een duidelijk en zwaarwegend belang. Daar tegenover staat het algemene belang van openbaarheid en transparantie dat met de Woo is gediend. Op zitting hebben de gemachtigden van het college herhaald achter het bestreden besluit te staan en dat dit besluit rechtmatig is, maar dat het college gelet op de lopende bezwaarprocedure bereid is te wachten met het openbaar maken van de stukken. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat er sprake is van zodanige zwaarwegende belangen, ook niet zijdens de Woo-verzoekster, dat niet gewacht zou kunnen worden met openbaarmaking van de stukken totdat op het bezwaar van verzoeksters is beslist.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeksters vergoeden.
12. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de gemaakte proceskosten. Verzoeksters hebben op zitting, als bijlage bij het ingevulde formulier proceskosten, een factuur overgelegd. Deze factuur heeft de omschrijving “
Werkzaamheden in verband met het verkeerd toepassen van de WOO waarbij de AVG en de Auteurswet in het geheel niet zijn getoetst en willekeurige documenten worden opgevraagd die niets met het afgerond dossier te maken hebben en de privacy van PKLC BV en medewerkers schenden en tevens auteursrechtelijk PKLC benadeelt.”, 30 uur maal € 150,-, plus 21 % BTW, in totaal € 5.445,-. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt een veroordeling van kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op basis van een vast tarief dat in de bijlage bij het Bpb is genoemd. [2] Dat betekent voor de veroordeling in de proceskosten het volgende. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De gemachtigde van verzoeksters heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoeksters moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de artikelen 1, onder a, en 2, eerste lid, onder a van het Bpb.