ECLI:NL:RBROT:2026:1100

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/10/699483 / HA ZA 25-396
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:51 lid 2 BWArt. 224 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens niet-stellen van zekerheid voor proceskosten in handelsgeschil

In deze civiele procedure tussen Brabo Dubai en Brabo Nederland heeft de rechtbank Rotterdam op 28 januari 2026 uitspraak gedaan over de niet-ontvankelijkheid van Brabo Dubai in de hoofdzaak. Brabo Dubai had geen zekerheid gesteld voor de proceskosten, terwijl de rechtbank dit bij een eerder incidentvonnis van 3 september 2025 had bevolen. Brabo Dubai stelde een verrekenbare tegenvordering voor als zekerheid, bestaande uit verbeurde dwangsommen uit een Belgisch vonnis, maar Brabo Nederland betwistte de verbeurdverklaring en stelde dat deze tegenvordering geen voldoende zekerheid bood.

De rechtbank oordeelde dat de aangeboden verrekenbare tegenvordering niet voldeed aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW Pro, omdat deze onzekerheid liet bestaan over de verhaalbaarheid van de proceskosten en het risico bestond dat andere entiteiten de dwangsommen zouden voldoen. Daarom werd Brabo Dubai niet-ontvankelijk verklaard in de hoofdzaak. Tevens werd Brabo Dubai veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, begroot op €7.960,00, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

De uitspraak benadrukt het belang van het stellen van voldoende zekerheid voor proceskosten in handelsgeschillen en bevestigt dat verrekenbare tegenvorderingen niet als zekerheid kunnen gelden indien de verhaalbaarheid onzeker is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken door rechter D.L. Spierings.

Uitkomst: Brabo Dubai is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid voor proceskosten en veroordeeld tot betaling van proceskosten en rente.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/699483 / HA ZA 25-396
Vonnis van 28 januari 2026
de rechtspersoon naar vreemd recht
BRABO HVACRS INTERNATIONAL SERVICES,
gevestigd te Ras Al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. D.A. Beck te Leiden,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRABO ENTERPRISES B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. I. Lankester te 's-Hertogenbosch.
Partijen worden hierna Brabo Dubai en Brabo Nederland genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 3 september 2025 van deze rechtbank en de in dat vonnis genoemde processtukken,
- het bericht van Brabo Dubai, met producties 12 tot en met 15, binnengekomen op 15 oktober 2025,
- de akte uitlatingen na vonnis in incident van Brabo Nederland (hierna: de akte), op de rol van 15 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft bij vonnis in het incident van 3 september 2025 Brabo Dubai veroordeeld om uiterlijk op 1 oktober 2025, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, ten behoeve van Brabo Nederland zekerheid te stellen voor de proceskosten voor een bedrag van € 13.173,00. Brabo Dubai moest de rechtbank en de advocaat van Brabo Nederland hierover binnen één week na het stellen van de zekerheid informeren. In het vonnis is ook bepaald dat Brabo Nederland zich op de rol van 15 oktober 2025 bij akte moet uitlaten over de vraag of Brabo Dubai de zekerheid heeft gesteld.
2.2.
In haar bericht van 15 oktober 2025 heeft Brabo Dubai laten weten dat de Ondernemingsrechtbank in Antwerpen Brabo Nederland, bij vonnis, – voor zover relevant – heeft veroordeeld tot staking van het gebruik van tekens die verwarring stichten met het door Brabo Dubai gedeponeerde Benelux-beeldmerk, onder verbeurte van een dwangsom voor elke inbreuk. Brabo Dubai stelt dat Brabo Nederland sinds 21 september 2025 al € 57.500,00 aan dwangsommen heeft verbeurd en dat Brabo Nederland een eventuele proceskostenveroordeling aan de zijde van Brabo Dubai kan verrekenen met de verbeurde dwangsommen. Brabo Dubai was niet eerder in de gelegenheid om de rechtbank en de advocaat van Brabo Nederland hiervan op de hoogte te stellen, omdat zij pas een dag voor het indienen van haar bericht bij deze rechtbank het certificaat heeft ontvangen van de Belgische rechtbank waarin is vastgesteld dat de dwangsommen zijn verbeurd.
2.3.
Brabo Nederland verzoekt de rechtbank om Brabo Dubai niet-ontvankelijk te verklaren in de hoofdzaak en om Brabo Dubai, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident, vermeerderd met rente en nakosten. Brabo Nederland stelt dat Brabo Dubai geen zekerheid heeft gesteld en dat een verrekenbare tegenvordering geen zekerheid is in de zin van artikel 6:51 lid 2 BW Pro, omdat een dergelijke vordering onzekerheid laat bestaan over de verhaalbaarheid van de proceskosten. Het vonnis van de Ondernemingsrechtbank ziet op meerdere entiteiten, waardoor het risico bestaat dat een van de andere entiteiten de dwangsommen voldoet en Brabo Nederland zo geen verrekenbare vordering heeft. Bovendien betwist Brabo Nederland dat de dwangsommen zijn verbeurd.
2.4.
De rechtbank verklaart Brabo Dubai niet-ontvankelijk in de hoofdzaak, omdat zij geen zekerheid heeft gesteld. Volgens artikel 6:51 lid 2 BW Pro dient zekerheid zodanig zijn, dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Een verrekenbare tegenvordering die bestaat uit verbeurde dwangsommen uit hoofde van een Belgisch vonnis biedt geen zekerheid waarop de schuldeiser, in dit geval (mogelijk) Brabo Nederland, zonder moeite verhaal kan nemen. Het is niet vast komen te staan dat Brabo Nederland dwangsommen heeft verbeurd, nu zij dit heeft betwist. Bovendien bestaat het risico dat andere veroordeelde entiteiten de dwangsommen zullen betalen aan Brabo Dubai, waardoor de aangeboden zekerheid wegvalt voor Brabo Nederland. Deze aangeboden zekerheid gaat geheel voorbij aan de bedoeling van de in de wet opgenomen verplichting tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Gelet op het voorgaande wordt Brabo Dubai niet-ontvankelijk verklaard in de hoofdzaak.
2.5.
Brabo Dubai wordt als de in het ongelijk gestelde partij, in zowel de hoofdzaak als in het incident, in de proceskosten veroordeeld. De kosten van Brabo Dubai worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
921,00
(1,5 punt x tarief II à € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.960,00
2.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart Brabo Dubai niet-ontvankelijk in haar vordering,
3.2.
veroordeelt Brabo Dubai in de proceskosten van het incident en van de hoofdzaak van € 7.960,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Brabo Dubai niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt Brabo Dubai tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3961/2459