De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2011. De minderjarige verbleef recentelijk in verschillende opvangsituaties, waaronder bij de moeder, vader, oma en een crisisopvang, waarbij sprake was van een onveilige opvoedsituatie en verstoorde relatie met de moeder.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, was de moeder met haar advocaat aanwezig en stemde zij in met het verzoek. De vader, oma en gecertificeerde instelling waren niet aanwezig maar correct opgeroepen. De kinderrechter heeft de minderjarige gesproken en diens verhaal samengevat.
De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en stelt de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor negen maanden in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met het oog op rust, stabiliteit en het inzetten van passende hulpverlening.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor deze direct geldt ook bij hoger beroep. De beslissing is op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter D.G.J. Roset en op 30 januari 2026 schriftelijk vastgelegd.