ECLI:NL:RBROT:2026:1107

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714071 / KG ZA 26-93, C/10/714116 / KG ZA 26-99 en C/10/714237 / KG ZA 26-106
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Brussel I-bis VoArt. 11.1 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbankenArt. 11.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ordemaatregel tot lossing en inontvangstneming van gecontamineerde lading ETBE in mts Groenendaal

In drie gelijktijdig behandelde kortgedingzaken tussen Groenendaal Shipping B.V., Interstream Barging Netherlands B.V. (ISB), Odfjell Tankers AS, Braskem Trading & Shipping B.V. en Repsol Trading SA staat de gecontamineerde lading Ethyl Tertiair Butyl Ether (ETBE) centraal die sinds 23 december 2025 in het mts Groenendaal ligt.

De lading ETBE, oorspronkelijk gezond bij aankomst in het zeeschip Bow Leopard, is tijdens het overladen in het mts Groenendaal besmet geraakt, vermoedelijk door resten van een vorige lading. Dit heeft geleid tot een impasse waarbij de lading niet wordt gelost en Repsol als cognossementhouder weigert deze in ontvangst te nemen. De partijen verwijzen elkaar door in de contractuele keten, waardoor het schip niet inzetbaar is en aanzienlijke schade en overliggelden oplopen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat ISB, Odfjell, Braskem en Repsol ieder een belang hebben bij een ordemaatregel en beveelt hen om binnen 72 uur na betekening de lading te lossen en in ontvangst te nemen. Bij niet-naleving verbeuren zij een dwangsom van € 25.000 per dag tot maximaal € 250.000. De kostenveroordelingen worden verdeeld conform de procesuitspraken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt binnen 72 uur lossing en inontvangstneming van de gecontamineerde ETBE-lading in mts Groenendaal met dwangsommen bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummers: C/10/714071 / KG ZA 26-93, C/10/714116 / KG ZA 26-99 en C/10/714237 / KG ZA 26-106
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak met zaaknummer C/10/714071 / KG ZA 26-93 van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GROENENDAAL SHIPPING B.V.,
te Barendrecht,
eiseres,
advocaat: mr. W.E. Boonk,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTERSTREAM BARGING NETHERLANDS B.V.,
te Sliedrecht,
gedaagde,
advocaat: mr. R.C.A. van 't Zelfde,
in de zaak met zaaknummer C/10/714116 / KG ZA 26-99 van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTERSTREAM BARGING NETHERLANDS B.V.,
te Sliedrecht,
eiseres,
advocaat: mr. R.C.A. van 't Zelfde,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ODFJELL TANKERS AS,
te Bergen, Noorwegen,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Wattel,
in de zaak met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106 van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ODFJELL TANKERS AS,
te Bergen, Noorwegen,
eiseres,
advocaat: mr. M. Wattel,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRASKEM TRADING & SHIPPING B.V.,
te Rotterdam,
advocaten: mrs. A. van Hal en P.E. Minke,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
REPSOL TRADING SA,
te Madrid, Spanje,
gedaagden.
Partijen worden hierna Groenendaal, ISB, Odfjell, Braskem en Repsol genoemd.

1.De procedures

1.1.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/714071 / KG ZA 26-93 blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2026
- de producties G-1 tot en met G-9 van Groenendaal
- de producties ISB-1 tot en met ISB-8 van ISB
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van Groenendaal met twee ongenummerde bijlagen
- de pleitnota van ISB.
1.2.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/714116 / KG ZA 26-99 blijkt uit:
- de concept-dagvaarding van 30 januari 2026
- de producties E-1 tot en met E-9 van ISB
- de producties 1 tot en met 3b van Odfjell
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarbij Odfjell vrijwillig is verschenen en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van Odfjell.
1.3.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106 blijkt uit:
- de concept-dagvaarding aan Braskem
- de dagvaarding van 2 februari 2026 aan Repsol
- de producties 1 tot en met 9 van Odfjell
- de conclusie van antwoord van Braskem
- de producties 1 tot en met 3 van Braskem
- de e-mailwisseling van 2 en 3 februari 2026 tussen Odfjell en Repsol, cc het bureau voorzieningenrechter
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarbij Braskem vrijwillig is verschenen en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van Odfjell.
1.4.
De mondelinge behandeling van de drie zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden.
1.5.
Tijdens een korte schorsing van de zitting hebben Groenendaal en ISB in de zaak met nummer C/10/714071 / KG ZA 26-93 overeenstemming bereikt over de betaling door ISB van een bedrag van € 200.000,00 aan Groenendaal, als voorschot op een eventueel nader vast te stellen verplichting jegens Groenendaal tot betaling van overliggelden.
Groenendaal heeft daarop de in dit kort geding oorspronkelijk ingestelde geldvordering ingetrokken. Partijen hebben verder afgesproken dat de facturen van 13 en 29 januari 2026 die Groenendaal ter incasso van het overliggeld over de periode van 23 december 2025 tot en met 13 januari 2026 en van 14 januari tot en met 29 januari 2026, voor een totaalbedrag van € 428.717,52, inclusief BTW, aan ISB heeft verzonden, worden gecrediteerd.

2.De feiten

in alle zaken:
Partijen
2.1.
Groenendaal is eigenares van het motortankschip ‘Groenendaal’ (brandmerk 39837 B 2022). De heer D.P.J. Peters is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van Groenendaal.
2.2.
ISB drijft een onderneming in de tankvaart en is een grote binnenvaartbevrachter.
2.3.
Odfjell is onderdeel van de wereldwijd opererende Odfjell Group, die zich
bezighoudt met zeetransport en de opslag van chemicaliën en andere speciale bulkvloeistoffen.
2.4.
Braskem is een wereldwijd opererende commodity trader die zich bezighoudt met
de aankoop en verkoop van onder meer brandstoffen op de internationale markt.
2.5.
Repsol is een energiehandelaar die zich bezighoudt met de levering en het vermarkten van ruwe olie en raffinageproducten.
Onderlinge verhoudingen
2.6.
Tussen partijen is sprake van een contractuele keten van vervoersrechtelijke aard. Partijen nemen daarin, kort weergegeven, de volgende posities in:
  • Braskem is de afzender van een lading van 5.064 mt ‘
  • Repsol is recht- en regelmatig cognossementhouder op wie de verplichting rust de lading ETBE bij aankomst in Amsterdam aan te nemen;
  • Odfjell is de vervrachter van de lading ETBE. Voor het vervoer tijdens het traject Brazilië - Rotterdam, Nederland, heeft zij het zeeschip ‘Bow Leopard’ ingezet;
  • ISB heeft zich jegens haar opdrachtgever Odfjell verbonden tot het vervoer over de binnenwateren van de lading ETBE van Rotterdam naar Amsterdam. Daartoe heeft Odfjell op 22 december 2025, met goedkeuring van Braskem en Repsol, het mts Groenendaal genomineerd.
  • Tussen Groenendaal en ISB bestaat een bestendige commerciële relatie die erin bestaat dat ISB het mts Groenendaal regelmatig (reis)bevracht.
De lading ETBE in het mts Groenendaal
2.7.
Op 23 december 2025 is een begin gemaakt met de belading van het mts Groenendaal vanuit het zeeschip ‘Bow Leopard’. In dat kader is het mts Groenendaal beladen met een hoeveelheid van 839,449 mt ETBE (verspreid over alle tanks), waarna een analyse van een 'eerste­voetsmonster' heeft plaatsgevonden. Uit de analyse blijkt dat de lading in het mts Groenendaal gecontamineerd was, zodat deze niet langer aan de overeengekomen specificaties voldoet (off-spec). Gestopt is met het verder beladen van het mts Groenendaal.
2.8.
ISB heeft Groenendaal voor de mogelijke schade als gevolg van de vermeende contaminatie aansprakelijk gehouden, waarna Groenendaal het voorval aan haar P&l-verzekeraars heeft gemeld. De P&I-verzekeraars en partijen zelf hebben ieder afzonderlijk een expert ingeschakeld.
2.9.
Het mts Groenendaal ligt sinds 23 december 2025 stil. De onder 2.7 bedoelde lading van ca 840 ton ETBE die zich aan boord van het schip bevindt, is sindsdien, ondanks meerdere sommaties daartoe, niet gelost.
2.10.
De overige, gezonde lading ETBE die zich nog aan boord van de ‘Bow Leopard’ bevond, is met een andere binnenvaarttanker naar Amsterdam gebracht en daar gelost en geleverd aan Repsol.

3.Het geschil

in de zaak met zaaknummer C/10/714071 / KG ZA 26-93:
3.1.
Groenendaal vordert, na intrekking ter zitting van de geldvordering, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
ISB te bevelen de volledige in het mts Groenendaal aanwezige lading ETBE te doen lossen, waarbij de lossing moet kunnen beginnen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat ISB met de naleving van dit bevel in gebreke blijft;
met veroordeling van ISB in de kosten van het geding.
3.2.
ISB voert verweer. ISB concludeert tot afwijzing van de vordering van Groenendaal, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Groenendaal in de kosten van deze procedure.
in de zaak met zaaknummer C/10/714116 / KG ZA 26-99:
3.3.
ISB vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Odfjell te bevelen de volledige in het mts Groenendaal aanwezige lading ETBE, op haar kosten, te doen lossen, waarbij de lossing moet kunnen beginnen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat Odfjell met de naleving van dit bevel in gebreke blijft;
een en ander met veroordeling van Odfjell in de kosten van het geding.
3.4.
Odfjell voert verweer. Odfjell concludeert tot afwijzing van de vordering van ISB, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ISB in de kosten van deze procedure.
in de zaak met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106:
3.5.
Odfjell vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Braskem en/of Repsol te bevelen de lading ETBE die zich momenteel in het mts Groenendaal bevindt in ontvangst te (doen) nemen en voorts alles te doen en niets na te laten wat voor het lossen uit het mts Groenendaal en/of het afleveren door Odfjell aan Repsol nodig is, waarbij de lossing moet kunnen beginnen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat Braskem en/of Repsol met de naleving van dit bevel in gebreke blijven;
Braskem en Repsol hoofdelijk dan wel ieder apart te veroordelen in de kosten van het geding.
3.6.
Braskem en Repsol voeren ieder afzonderlijk verweer. Braskem concludeert tot afwijzing van de vordering van Odfjell, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Odfjell in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

in de zaak met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106:
4.1.
Repsol is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, feitelijk niet in persoon of bij advocaat ter zitting verschenen. Na ontvangst van de dagvaarding heeft Repsol per e-mail van 3 februari 2026 te 22:05 uur aan mr. Wattel en het bureau voorzieningenrechter wel schriftelijk inhoudelijk gereageerd op de eis, zulks na ontvangst van berichtgeving van de rechtbank waaruit zij heeft opgemaakt dat haar daartoe de gelegenheid werd geboden. Uit dat bericht blijkt dat zij kennis heeft genomen van de dagvaarding en op de hoogte is van de zitting en ook dat zij, zich kennelijk niet realiserend dat zij om een Teams videoverbinding had kunnen vragen, heeft bedoeld haar verweer aan de rechter en de andere partijen kenbaar te maken. Met deze inhoudelijke reactie en de tijdens de zitting binnengekomen nadere berichten van Repsol, waarop Odfjell en andere partijen in meer of mindere mate hebben gereageerd, is tijdens de behandeling rekening gehouden. Uit de correspondentie van/met Repsol blijkt verder dat het de bedoeling van Repsol (en/of haar verzekeraars) was een advocaat te instrueren (wat kennelijk is misgelopen). In dat licht en gelet op de bijzondere spoedeisendheid van de drie voorliggende en gelijktijdig behandelde kortgedingzaken bestaat, in de specifieke bijzonderheid van deze gevallen, aanleiding om af te wijken van het bepaalde in artikelen 11.1 en 11.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken. Dit leidt ertoe dat Repsol wordt geacht in de procedure te zijn verschenen en dat de inhoudelijke berichten van Repsol geacht worden tot het procesdossier te behoren. Het verzoek om verstek te verlenen wordt dus afgewezen.
4.2.
Geen van partijen heeft de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in deze rechtbank betwist. De voorzieningenrechter is internationaal bevoegd, ook in de zaken jegens Odfjell en Repsol, reeds op grond van art. 35 van Pro Brussel I-bis Vo, nu het gaat om een spoedordemaatregel. Weliswaar is tussen Odfjell enerzijds en Braskem en Repsol anderzijds een arbitragebeding overeengekomen, maar omdat de arbitrageprocedure geen spoedvoorziening biedt en het hier evident is dat het gaat om een spoedeisende kwestie acht de voorzieningenrechter van deze rechtbank zich, mede gelet op de huidige ligplaats van het mts Groenendaal in Rotterdam, bevoegd om van het geschil in deze rechtsverhoudingen kennis te nemen. Voor het treffen van de ordemaatregel, zoals hierna aan de orde, doet niet ter zake welk recht van toepassing is.
In alle zaken:
4.3.
De vordering van Groenendaal, ISB respectievelijk Odfjell om ISB, Odfjell respectievelijk Braskem en/of Repsol te veroordelen om de lading ETBE in het mts Groenendaal – kort gezegd - te lossen en in ontvangst te nemen wordt bij wege van ordemaatregel toegewezen in lijn met het in de respectieve petita gevorderde. Dit wordt hierna toegelicht.
4.4.
Groenendaal, ISB respectievelijk Odfjell hebben ieder een rechtens te respecteren belang bij het treffen van een ordemaatregel ten laste van hun respectieve wederpartijen. Daartoe is het volgende van belang.
4.5.
Hoewel nog veel onduidelijkheid bestaat is op grond van de thans beschikbare informatie de situatie als volgt.
Aannemelijk is dat de lading ETBE gezond was toen deze in het zeeschip aankwam en dat deze is gecontamineerd bij lossing in het mts Groenendaal, omdat deze binnenvaarttanker niet schoon was. Voorshands aannemelijk is dat de contaminatie zowel bestaat uit deeltjes die vermoedelijk door filtering te verwijderen zijn, als uit dierlijke vetten (talg), mogelijk afkomstig uit de vorige lading van het mts Groenendaal, die zijn opgelost in de ETBE en dus niet door filtering verwijderd kunnen worden. Voorshands aannemelijk is voorts dat de contaminatie te wijten is aan Groenendaal en/of ISB. Daarmee is ook aannemelijk dat er sprake zal zijn van een vordering wegens ladingschade, omdat de lading op dit moment off-spec is. De gezonde waarde van de beschadigde lading lijkt rond USD 800-900.000,00 te liggen, onduidelijk is hoe groot de schadevordering zal zijn, maar die zal vermoedelijk enige honderdduizenden USD bedragen. De optimale reinigingsmethode en het te verwachten resultaat zijn ook nog onduidelijk, waarbij de T1-status van de lading en diverse praktische problemen complicerende factoren zijn; daarom zijn de kosten thans niet goed in te schatten.
De kosten wegens overliggeld waarop Groenendaal aanspraak maakt zijn ca. € 450.000,00; in de andere verhoudingen zijn aard en omvang van overliggeldvorderingen onduidelijk.
4.6.
De contractuele verhoudingen die bestaan tussen partijen en de verplichting tot schadebeperking brengen mee, dat Repsol in moet stemmen met en mee moet werken aan aflevering van de lading aan haar. De enkele omstandigheid dat de lading gecontamineerd is staat daaraan niet in de weg, gelet op de (ongevaarlijke) aard van de contaminatie. Ook de schadevordering die zij vermoedelijk heeft, doet niet af aan die verplichting. De tussenliggende partijen zijn, elk in hun eigen contractuele verhouding en met inachtneming van hun verplichtingen tot schadebeperking, per saldo gehouden om mede te zorgen dat die aflevering plaats vindt.
4.7.
Op dit moment duurt de sinds 23 december 2025 bestaande situatie dat de lading ETBE zich in het mts Groenendaal bevindt, voort. Daardoor is het schip feitelijk niet beschikbaar om ingezet te worden voor andere transporten, hetgeen tot aanzienlijke inkomstenderving bij Groenendaal leidt. Ook loopt de schade, in de vorm van overliggelden, dagelijks flink op. Hoewel diverse alternatieven zijn onderzocht, ontbreekt zicht op een daadwerkelijke oplossing op korte termijn. Partijen wijzen alle successievelijk naar de onderliggende schakel in de contractuele keten om een einde te maken aan de feitelijke opslag die het mts Groenendaal biedt aan de gecontamineerde lading ETBE. Hierdoor is een impasse ontstaan die partijen niet zelfstandig lijken te kunnen doorbreken. Aan deze situatie dient een einde te komen. Anders dan wordt gesteld kan Groenendaal niet worden verweten dat zij niet andere maatregelen heeft getroffen. Van eigenrichting kan geen sprake zijn en de andere remedies (al dan niet via de rechter) liggen niet meer voor de hand dan deze.
Onder andere uit het oogpunt van schadebeperking is het dus aangewezen dat daadwerkelijk tot lossing en inontvangstname door Repsol van de lading die zich nu in het mts Groenendaal bevindt, wordt overgegaan.
4.8.
ISB, Odfjell respectievelijk Braskem en Repsol worden dan ook bevolen om de lading ETBE die zich in het mts Groenendaal bevindt te (doen) lossen, waarbij Repsol deze lading als houder van het cognossement in ontvangst moet (doen) nemen.
Wie daarvan de kosten draagt wordt in dit vonnis niet beslist. Over de uiteindelijke draagplicht zal in één of meer bodemprocedures moeten worden beslist, als partijen (en hun verzekeraars) daarover geen overeenstemming bereiken. Wie, voor zover nodig, (een deel van) de kosten voorlopig betaalt, zal mede afhangen van de nu nog niet bekende praktische uitvoering; de voorzieningenrechter gaat er vanuit dat partijen daarover overeenstemming bereiken.
De door Groenendaal, ISB en Odfjell gevorderde termijn van 24 uur voor het aanvangen van de lossing is te kort. Daarover zijn partijen het eigenlijk ook wel eens. De voorzieningenrechter acht een termijn van 72 uur na betekening van dit vonnis redelijk. Als ISB, Odfjell, Braskem en/of Repsol hieraan niet voldoen, verbeuren zij ieder afzonderlijk een dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte van een dag met een maximum van
€ 250.000,00. Gelet op de verhoudingen tussen partijen en het verhandelde ter zitting is een gelijke dwangsom in alle verhoudingen passend.
Proceskostenveroordelingen
4.9.
ISB is in de procedure met zaaknummer C/10/714071 / KG ZA 26-93 in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Groenendaal betalen. Die kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.229,65
4.10.
Odfjell is in de procedure met zaaknummer C/10/714116 / KG ZA 26-99 in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van ISB betalen. Die kosten worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
4.11.
Braskem, die vrijwillig is verschenen, is in de procedure met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106 in het ongelijk gesteld en moet daarom de helft van het griffierecht en het salaris advocaat (inclusief de volledige nakosten) van Odfjell betalen. Die kosten worden begroot op:
- griffierecht € 367,50
- salaris advocaat € 588,50
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.145,00
4.12.
Repsol is in de procedure met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106 in het ongelijk gesteld en moet daarom de kosten van de aan haar betekende dagvaarding, de helft van het griffierecht en het salaris advocaat (inclusief de volledige nakosten) van Odfjell betalen. Die kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 367,50
- salaris advocaat € 588,50
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.296,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in de zaak met zaaknummer C/10/714071 / KG ZA 26-93:
5.1.
beveelt ISB de volledige in het mts Groenendaal aanwezige lading ETBE te doen lossen, waarbij de lossing moet kunnen beginnen binnen 72 uur na betekening van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt ISB om aan Groenendaal een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt ISB in de proceskosten van Groenendaal van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening van dit vonnis,
in de zaak met zaaknummer C/10/714116 / KG ZA 26-99:
5.4.
beveelt Odfjell om de volledige in het mts Groenendaal aanwezige lading ETBE te doen lossen, waarbij de lossing moet kunnen beginnen binnen 72 uur na betekening van dit vonnis,
5.5.
veroordeelt Odfjell om aan ISB een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,
5.6.
veroordeelt Odfjell in de proceskosten van ISB van € 2.201,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening van dit vonnis,
in de zaak met zaaknummer C/10/714237 / KG ZA 26-106:
5.7.
beveelt Repsol om de lading ETBE die zich momenteel in het mts Groenendaal bevindt na lossing daarvan in ontvangst te (doen) nemen en beveelt Braskem en Repsol voorts alles te doen en niets na te laten wat voor het lossen uit het mts Groenendaal (te beginnen binnen 72 uur na betekening van dit vonnis) en/of het afleveren aan Repsol nodig is,
5.8.
veroordeelt Braskem respectievelijk Repsol om aan Odfjell een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij, ieder afzonderlijk, niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 250.000,00 per gedaagde is bereikt,
5.9.
veroordeelt Braskem in de proceskosten van Odfjell van € 1.145,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening van dit vonnis,
5.10.
veroordeelt Repsol in de proceskosten van Odfjell van € 1.296,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening van dit vonnis,
in alle zaken
5.11.
verklaart het vonnis in alle zaken uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde in alle zaken af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
1734/106