AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling omgangsregeling en benoeming bijzondere curator voor minderjarige
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn vijftienjarige dochter, waarbij de vrouw het gezag uitoefent. Eerder was een verzoek afgewezen vanwege detentie van de man en onduidelijkheid over het juridisch ouderschap. Inmiddels erkend de man het kind en is hij niet meer gedetineerd, waardoor de rechtbank het verzoek ontvankelijk acht.
De rechtbank overweegt dat omgang in het belang van de minderjarige alleen kan plaatsvinden indien dit geen ernstig nadeel oplevert. De raad voor de kinderbescherming adviseerde eerder begeleide omgang, maar dit is niet gerealiseerd. De vrouw staat contact niet in de weg, mits de minderjarige dit wil en emotionele toestemming geeft. Gezien de complexe belangenstrijd en de leeftijd van de minderjarige benoemt de rechtbank een bijzondere curator om de wensen en belangen van het kind te onderzoeken en te vertegenwoordigen.
Ook het verzoek tot een informatieregeling wordt aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator. De rechtbank stuurt een uitgebreide brief aan de minderjarige om haar te informeren over de procedure en de rol van de bijzondere curator. De zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2026, waarna een beslissing volgt op basis van het verslag van de bijzondere curator.
Uitkomst: Verzoek tot omgangs- en informatieregeling aangehouden en bijzondere curator benoemd om belangen van minderjarige te behartigen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696310 / FA RK 25-2121
Beschikking van 2 februari 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht, de informatieregeling en de benoeming van een bijzondere curator
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. H.E. Visscher te Papendrecht.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 maart 2025;
het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 31 december 2025;
het bericht met bijlage van de man van 1 april 2025.
1.2.
De man heeft op 31 december 2025 nog een bericht met bijlage ingediend. Dit bericht is buiten de daarvoor geldende termijn ingediend, en niet gebleken is dat de man het bericht niet eerder had kunnen indienen. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dit bericht in verband met strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, (telefonisch) bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .
1.4.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 12 januari 2026 met de kinderrechter gesproken. De rechtbank heeft na het gesprek met de minderjarige geen aanleiding gezien een nadere mondelinge behandeling te bepalen of partijen in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten.
2.De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend op 6 oktober 2022.
2.3.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2025 zijn de verzoeken van de man tot vaststelling van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) en een informatieregeling afgewezen. Kort samengevat zijn de verzoeken afgewezen, omdat de rechtbank niet kon vaststellen of de man inmiddels tot erkenning was overgegaan nadat hij daarvoor vervangende toestemming had verkregen van de rechtbank. De advocaat van de man kon niet meer in contact komen met de man en de vrouw betwistte het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking. Het juridisch ouderschap of het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking zijn vereisten voor vaststelling van een omgangs- en informatieregeling. Ook als wel aan deze vereisten was voldaan, achtte de rechtbank vaststelling van een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige, omdat de contacten begeleid zouden moeten worden en de rechtbank dit niet met de man kon bespreken tijdens een mondelinge behandeling. De vrouw had in verband met de spanning voor haar en de minderjarige verzocht eindbeschikking te wijzen om tot een einde van de procedure te komen.
3.De beoordeling
3.1.
Omgangsregeling
3.1.1.
De man verzoekt (opnieuw) een (definitieve) omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de man en de minderjarige (uiteindelijk) gedurende een weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18:00 uur contact hebben, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, jaarlijks tussen partijen in goed onderling overleg te verdelen, waarbij de vrouw de minderjarige brengt naar de man en de man haar terugbrengt naar de vrouw.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang, tevens inhoudende een afwijzende beslissing, wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
3.1.4.
Eerst dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een grond voor wijziging van de beslissing over de omgang uit de beschikking van 20 januari 2025. De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, de vrouw betwist dit.
3.1.5.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de man ten tijde van de vorige mondelinge behandeling, naar aanleiding waarvan de beschikking van 20 januari 2025 is gewezen, in detentie zat en nu weer op vrije voeten is, een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:377e BW vormt. Uit de beschikking van 20 januari 2025 blijkt namelijk dat de rechtbank destijds de detentie van de man heeft betrokken in haar beoordeling. In rechtsoverweging 2.6. staat – kort samengevat – dat de rechtbank met de raad van oordeel is dat omgang in eerste instantie begeleid dient te worden en dat de rechtbank voornemens was om tijdens de mondelinge behandeling een en ander daarover met partijen te bespreken. Omdat onduidelijk was waar de man verblijf, en ook zijn advocaat geen contact met hem kon krijgen, was dit niet mogelijk. Om die reden, alsmede het belang van beëindiging van de procedure voor de vrouw en de minderjarige, is het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de beslissing over omgang uit de beschikking van 20 januari 2025. Omdat de man niet langer gedetineerd is, is het alsnog mogelijk om begeleide omgang te bespreken.
3.1.6.
Verder is gebleken dat de man de minderjarige heeft erkend in 2022, zodat hij sindsdien juridisch ouder is van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank kan hij dan ook worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
3.1.7.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of omgang op dit moment in het belang van de minderjarige is. Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.1.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door de man overgelegde raadsrapport uit 2023 blijkt dat de raad destijds van mening was dat omgang tussen de man en de minderjarige alleen laagdrempelig mogelijk is bijvoorbeeld met ondersteuning van het wijkteam, zodat de minderjarige een onafhankelijke steunfiguur heeft in het contact met haar vader. Gebleken is dat de geadviseerde omgang via het wijkteam niet van de grond is gekomen. Vervolgens is de man gedetineerd geraakt. Hij heeft verteld dat hij als gevolg van zijn detentie zijn leven heeft gebeterd en heel graag een band wil opbouwen met de minderjarige. De man heeft naar voren gebracht dat, nu hulpverlening via het vrijwillig kader niet is geslaagd, hij via het Uniform Hulpaanbod doorverwezen wenst te worden naar het traject omgangsbegeleiding. De vrouw heeft aangevoerd dat de vorige procedure veel impact heeft gehad op de minderjarige, mede doordat de man ineens na (in 2021) elf jaar contact met haar wilde. De afloop van de procedure was voor haar een domper en ze schrok van onderhavige nieuwe procedure, aldus de vrouw. De rechtbank meent dat, hoe vervelend ook voor de minderjarige, de zaak opgepakt moet worden waar deze de vorige keer is blijven steken, te weten: onderzoeken of begeleid contact mogelijk is. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, is het vanwege de leeftijd van de minderjarige en haar identiteitsontwikkeling van belang dat zij een eigen beeld kan vormen van haar vader. Dit beeld is nu gevormd op basis van wat zij uit diverse bronnen heeft gehoord over de man, wat niet bepaald positief is. Uit het verweerschrift van de vrouw blijkt dat zij zelf een belast verleden heeft en zich herkent in de minderjarige met betrekking tot de verzoeken van de man. Hoewel de vrouw aangeeft dat ze contact tussen de man en de minderjarige niet in de weg staat als de minderjarige dat wil, is het volgens de raad ook nodig dat zij hiervoor emotionele toestemming geeft aan de minderjarige. Hoewel de houding van de vrouw jegens de man invoelbaar is vanwege alle gebeurtenissen uit het verleden, is voor de rechtbank onduidelijk in hoeverre de vrouw deze toestemming kan geven en de minderjarige kan stimuleren.
3.1.9.
Artikel 1:250 BWPro bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
3.1.10.
Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van het hiervoor genoemde artikel voordoet. De rechtbank ziet de strijd vooral in het krachtenveld waarin de minderjarige zich lijkt te bevinden: aan de ene kant blijft haar vader, ondanks haar leeftijd, via een gerechtelijke procedure proberen om contact af te dwingen, terwijl voor hem, omdat ze elkaar ook wel eens tegenkomen, duidelijk moet zijn dat zij dat niet wil. Aan de andere kant staat de moeder van de minderjarige die met haar mond toestemming geeft voor contact maar mogelijk non verbaal of zelfs onbewust een andere boodschap afgeeft. En in dat krachtenveld staat een inmiddels bijna vijftienjarige die zelf ook echt wat mag vinden van de verzoeken die de man doet. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat dat een te grote taak is voor de minderjarige om alleen uit te voeren. Gelet op de aard van de belangenstrijd acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon het belang van de minderjarige zowel in als buiten rechte gaat vertegenwoordigen, alsook een luisterend oor kan bieden aan de minderjarige en haar kan helpen om haar eigen mening te bepalen en ook na te denken over de gevolgen daarvan.
3.1.11.
De rechtbank zal de bijzondere curator ambtshalve benoemen met als opdracht de belangen van de minderjarige te behartigen en te onderzoeken wat de minderjarige eigenlijk zelf wil als het gaat om (het contact met) haar vader. Ook wordt de bijzondere curator verzocht te onderzoeken of er nu of in de toekomst mogelijkheden zijn voor contacten tussen de minderjarige en de vader en wat de wensen en behoeften zijn van de minderjarige in dat contact. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator de minderjarige wellicht kunnen ondersteunen bij het contact, of, als dat niet in haar belang wordt geacht, haar kunnen helpen met het (mentaal) afsluiten van deze procedure, bijvoorbeeld door een gesprek met haar vader, een brief te schrijven aan haar vader of dit namens de minderjarige te doen. Als de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar vrij ook een advies uit te brengen over benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige of ouders.
3.1.12.
De bijzondere curator wordt daarbij verzocht gesprekken te voeren met – in ieder geval, maar niet uitsluitend – de minderjarige, de moeder en de vader individueel. Het staat de bijzondere curator uiteraard vrij gesprekken te voeren met anderen die informatie over de minderjarige kunnen verstrekken.
3.1.13.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het benoemen van een bijzondere curator.
3.1.14.
[naam 2] , advocaat te Dordrecht, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe ambtshalve door de rechtbank worden benoemd.
3.1.15.
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BWPro in acht te nemen.
3.1.16.
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van de minderjarige lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als de ouders niet meewerken, kan het gebeuren dat de rechtbank daaruit conclusies trekt die ongunstiger zijn dan wanneer de ouders wel hadden meegewerkt.
3.1.17.
Ook wordt de bijzondere curator verzocht te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. Als de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, dan kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Wanneer de bijzondere curator het nodig vindt kan zij als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
3.1.18.
Het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling zal dan ook worden aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.
3.1.19.
De rechtbank zal partijen niet naar hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod verwijzen omdat daarover geen instemming bestaat.
3.2.
Informatieregeling
3.2.1.
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw de man eens per maand informeert over de gezondheid, het welzijn, de studieresultaten en andere gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3.2.4.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:377b BW is 1:377e BW van overeenkomstige toepassing.
3.2.5.
Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank een beslissing over de informatieverstrekking wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
3.2.6.
Aangezien de man ook ten tijde van de beschikking van 20 januari 2025 al juridisch ouder was van de minderjarige, is de rechtbank van oordeel dat bij het nemen van de beslissing over de informatieverstrekking van onjuiste dan wel onvolledige gegevens is uitgegaan. Om die reden kan de man worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de beslissing over de informatieverstrekking.
3.2.7.
Nu de man juridisch ouder is van de minderjarige, kan hij worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling.
Inhoudelijke beoordeling
3.2.8.
De rechtbank overweegt dat de vrouw als gezaghebbende ouder op grond van artikel 1:377b BW, eerste lid, in beginsel gehouden is informatie over de minderjarige te verstrekken aan de man. Van deze plicht kan de vrouw worden ontheven op grond van het tweede lid van dat artikel, namelijk als het belang van de minderjarige zich verzet tegen de informatieverstrekking. De vrouw voert aan dat het vanwege de leeftijd van de minderjarige niet in haar belang is dat informatie over haar wordt verstrekt aan de man. Daarnaast maakt zij zich zorgen over de veiligheid van de minderjarige, omdat de man zich volgens haar in een crimineel milieu begeeft.
3.2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook in het kader van de informatieregeling sprake van een belangenstrijd tussen ouders in de zin van artikel 1:250 BWPro. Aan de bijzondere curator wordt dan ook – aanvullend – verzocht te onderzoeken in hoeverre het belang van de minderjarige zich verzet tegen vaststelling van een informatieregeling en met de minderjarige te bespreken hoe zij hiernaar kijkt.
3.2.10.
Ook dit verzoek van de man zal dus worden aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.
3.3.
Brief aan [minderjarige]
3.3.1.
Onderstaande tekst zal per brief aan de minderjarige worden toegezonden, zodat zij door de kinderrechter op de hoogte wordt gebracht van haar beslissing.
‘Beste [minderjarige] ,
Op 12 januari 2026 hebben wij elkaar gesproken. Ik heb toen met jou afgesproken te laten weten wat ik heb beslist en waarom.
De beslissing is dat je een eigen advocaat krijgt die met jou in gesprek gaat over de verzoeken die je vader heeft gedaan. Dat betekent dus dat ik nog niet heb beslist over of er contact moet zijn en ook niet over of je moeder informatie over jou aan je vader moet geven. Die verzoeken van je vader leg ik in de kast totdat ik iets hoor van jouw advocaat.
Eerst maar even over die advocaat, voordat ik uitleg waarom ik dit heb beslist. Die advocaat noemen we ‘bijzondere curator’. Zij, het is een vrouw, is er echt helemaal voor jou. Ze heet [naam 2] en haar kantoor zit in Dordrecht. Ik heb haar gekozen omdat ze zich altijd 100% voor jongeren inzet én ze ook nog eens dichtbij zit. [naam 2] zal contact met jou opnemen en dan met jou alles gaan bespreken. Zij heeft daar mee tijd voor dan ik. Je kunt alles aan haar vertellen. Wat je vertelt, zal zij niet doorvertellen, tenzij jij daarvoor toestemming geeft. [naam 2] heeft de mogelijkheid om, als jij dat oké vindt, ook met je vader en je moeder, apart, te praten. Maar ik vind het gesprek met jou het belangrijkst en dan vervolgens ook de vraag hoe verder. Bijvoorbeeld, daar hadden we het al over, dat je samen met [naam 2] een brief schrijft aan je vader of dat zji voor jou een brief schrijft aan je vader. En [minderjarige] : alles is oké! Je mag zeggen dat je wel contact wilt of geen contact. En [naam 2] gaat met jou op onderzoek uit waarom je wilt wat je wilt.
Waarom beslis ik dit nou? Eerder heeft de raad onderzoek gedaan naar het contact tussen jou en je vader. En dat advies was: contact onder begeleiding. Dat is toen niet gebeurd. Ik zou nu kunnen beslissen: nou, dan nu maar contact onder begeleiding maar jij bent inmiddels ook ouder. En tijdens het gesprek was mijn indruk dat jij geen contact met je vader wilt. Ik zou nu ook kunnen beslissen dat er geen contact en geen informatie komt. Maar ik vraag me af of je daar iets mee opschiet. Ik ben bang dat er dan ook na mijn uitspraak nog lang onduidelijkheid blijft, bijvoorbeeld als je vader in hoger beroep gaat. Ik wil het liefste voor jou dat duidelijk wordt, voor jou maar vooral voor je vader (en moeder), wat jij echt wilt en wat er allemaal belangrijk is voor jou, en dat zo snel mogelijk. Ik denk dat [naam 2] daar het beste bij kan helpen. Ik snap heel goed dat ik daarmee wel iets van jou vraag. Want je vader wil iets en nou moet jij weer met iemand praten. Ik hoop dat je het toch als positief gaat zien. Dat we allemaal goed horen wat jij te zeggen hebt. En dat het duidelijkheid en opluchting gaat geven. En als een gesprek niet uitkomt omdat je toetsweek hebt, dan snapt [naam 2] dat echt wel en ik ook.
Ik leg de verzoeken van jouw vader drie maanden in de kast, tot 1 juni 2026. Hopelijk kan ik daarna een beslissing nemen. Maar als er meer tijd nodig is, dan kan dat ook. En als het na een week al duidelijk is, dan hoor ik dat wel van [naam 2] . Want ik snap ook dat het vervelend is dat het al zo lang loopt.
[minderjarige] , ik hoop dat je tegen [naam 2] net zo open kunt zijn als tegen mij. Want dat heb je hartstikke goed gedaan. Je mag trots zijn op jezelf!
Groet van de kinderrechter’
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Omdat ten aanzien van de omgangs- en informatieregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4.De beslissing
De rechtbank:
4.1.
benoemt tot bijzondere curator teneinde de minderjarige te vertegenwoordigen:
[naam 2] , kantoorhoudende te Dordrecht;
4.2.
bepaalt dat de bijzondere curator binnen drie maanden na de datum van deze beschikking schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over de verzoeken van de man;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voor verder te beslissen:
4.4.
houdt de zaak in afwachting van het verslag van de bijzondere curator aan tot 1 juni 2026 PRO FORMA en verzoekt partijen binnen twee weken na het verslag van de bijzondere curator hun proceswensen kenbaar te maken.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 2 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.