De werkneemster trad op 1 augustus 2025 in dienst bij de werkgever als docente, maar meldde zich op de eerste werkdag ziek. De werkgever schakelde een arbodienst in die een inzetbaarheidsdeskundige stuurde om de re-integratie te begeleiden. De werkneemster weigerde echter meerdere keren te verschijnen op gesprekken die de werkgever had gepland om de re-integratie te bespreken, waarbij zij alleen wilde deelnemen na een consult bij de bedrijfsarts.
De werkgever stelde de loonbetaling per 10 oktober 2025 stop vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen, gebaseerd op het advies van de inzetbaarheidsdeskundige die namens de BIG-geregistreerde bedrijfsarts handelde. De werkneemster betwistte dat het advies van de inzetbaarheidsdeskundige als advies van de bedrijfsarts kon worden beschouwd en voerde aan dat zij niet verplicht was fysiek te verschijnen.
De kantonrechter oordeelde dat de inzetbaarheidsdeskundige namens de bedrijfsarts mocht adviseren en dat het verzoek tot een fysiek gesprek redelijk was. De werkneemster had geen deugdelijke grond om niet te verschijnen en had ook geen deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. De loonstop was daarom terecht toegepast. Ook na een later advies van de bedrijfsarts bleef de werkneemster weg, ondanks dat de werkgever zelfs taxivervoer aanbood. De vordering tot opheffing van de loonstop werd afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten.