Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1215

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11735841 HA VERZ 25-34
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:634 lid 1 BWArt. 7:626 BWArt. 31 lid 2 EU-HandvestRichtlijn 2003/88/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding slapend dienstverband en toekenning transitievergoeding aan werknemer

De werknemer is sinds oktober 2022 arbeidsongeschikt en ontvangt vanaf oktober 2024 een WIA-uitkering. Hij verzoekt ontbinding van het slapend dienstverband met toekenning van de transitievergoeding en een correcte eindafrekening.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve per direct ontbonden kan worden, omdat de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortzetting en niet meewerkt aan beëindiging. De transitievergoeding wordt berekend tot het einde van de wachttijd, 9 oktober 2024.

De werknemer krijgt ook vakantiebijslag over de periode tot en met 8 oktober 2024 toegewezen, evenals uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen tot die datum. De opbouw van vakantiedagen na de wachttijd wordt afgewezen vanwege het slapend dienstverband en de rechtspraak van het Hof van Justitie EU.

Verder wordt de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van bruto-/nettospecificaties en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en de werkgever veroordeeld tot betaling van transitievergoeding, vakantiebijslag en uitbetaling van opgebouwde vakantiedagen tot einde wachttijd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11735841 HA VERZ 25-34
datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: Rotterdam,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J. Keizer,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VERM Services B.V.,
vestigingsplaats: ‘s-Gravendeel,
verweerster,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘VERM’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] (ontvangen op 5 juni 2025), met producties;
  • de aanvullende productie van [verzoeker] ;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 september 2025;
  • de akte vermeerdering van verzoek;
  • de schriftelijke reactie van VERM van 20 oktober 2025;
  • de akte nadere uitlating van [verzoeker] , ontvangen op 13 november 2025.
1.2.
De uitspraak van deze beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

2.Het geschil van partijen en de beoordeling daarvan

De kern van de zaak

2.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verzoeker] is op 1 april 2017 bij VERM in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Zijn salaris bedraagt
€ 2.504,09 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. [verzoeker] is sinds 12 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Sinds die datum heeft hij niet meer gewerkt voor VERM. Sinds 9 oktober 2024 ontvangt hij een WIA-uitkering (IVA). [verzoeker] vraagt nu ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding en betaling van de eindafrekening. Zijn vorderingen worden hierna puntsgewijs besproken.
Ontbindingsverzoek werknemer
2.2.
Een werknemer kan ontbinding van de arbeidsovereenkomst vragen. Artikel 7:671c BW bepaalt dat dan sprake moet zijn van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
2.2.1.
In dit geval is sprake van een zogenaamd slapend dienstverband. [verzoeker] is namelijk al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt en het staat vast dat hij niet meer aan het werk kan voor VERM. Niet gebleken is dat VERM een redelijk belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet VERM daarom als goed werkgever meewerken aan een einde van dat slapende dienstverband en daarbij aan [verzoeker] een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding te betalen [1] . Alhoewel [verzoeker] hier meerdere keren om heeft gevraagd, heeft VERM hieraan geen medewerking verleend. Gelet hierop is sprake van omstandigheden zoals hiervoor omschreven. Het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
Datum einde arbeidsovereenkomst
2.3.
Dan moet het tijdstip worden bepaald waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Gelet op het feit dat inmiddels sprake is van een slapend dienstverband, wordt de arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag ontbonden.
De vergoeding
2.4.
[verzoeker] verzoekt dat VERM wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. VERM moet, zoals hiervoor onder 2.2.1. al gezegd, een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding betalen. Dit is een schadevergoeding, omdat VERM zich niet als een goed werkgever heeft gedragen door te weigeren mee te werken aan de beëindiging van het slapende dienstverband (onder toekenning van een vergoeding). Voor de berekening van de vergoeding wordt het dienstverband fictief bekort tot het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging is ontstaan. Dat is 9 oktober 2024, de datum van einde wachttijd. Uitgaande van de hiervoor genoemde datum van indiensttreding en bruto loon, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, bedraagt de vergoeding het netto equivalent van € 6.783,25 bruto. Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 9 oktober 2024.
Vakantiebijslag
2.5.
Op grond van artikel 8.2 van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] recht op 8% vakantiebijslag, die jaarlijks in mei wordt uitbetaald. [verzoeker] stelt dat na mei 2024 geen vakantiebijslag meer is betaald. VERM heeft dat niet betwist.
2.5.1.
[verzoeker] had recht op loon tot en met 8 oktober 2024. Daarom heeft hij ook recht op vakantiebijslag over de periode van juni 2024 tot en met 8 oktober 2024. Uit de overgelegde producties blijkt dat hij over deze maanden 70% van zijn salaris ontving, wegens zijn arbeidsongeschiktheid. Daarom wordt aan vakantiebijslag over deze maanden toegewezen een bedrag van € 597,10 bruto (€ 2.504,08 x 70% x 8% x 4 8/31e maand).
2.5.2.
Over dit bedrag is VERM wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 mei 2025. De wettelijke verhoging over dit bedrag wordt gematigd tot 10%, omdat de wettelijke verhoging vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding.
Afrekening vakantiedagen
2.6.
Nu de arbeidsovereenkomst eindigt, moet ook een financiële afwikkeling plaatsvinden. Dat betekent onder meer dat opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen uitbetaald moeten worden. [verzoeker] vraagt, na vermeerdering van zijn verzoek, om uitbetaling van een totaal van 312 niet opgenomen uren. Dit verzoek valt uiteen in twee delen: 1) dagen die zijn opgebouwd tot einde wachttijd en 2) dagen die zijn opgebouwd na einde wachttijd, dus toen het dienstverband al slapend was.
De vermeerdering van het verzoek is aan VERM betekend en zij heeft gelegenheid gekregen om daarop te reageren, dus deze wijziging is toelaatbaar.
Opgebouwde dagen tot einde wachttijd
2.7.
Volgens [verzoeker] was zijn verlofsaldo bij einde wachttijd 152 uren. VERM heeft dat niet betwist. Daarom wordt een bedrag van € 2.371,11 bruto (152 uren x € 14,45 bruto per uur x 8%) toegewezen. Over dit bedrag hoeft VERM geen wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen, omdat de betaling van de vakantie-uren pas opeisbaar is per vandaag.
Opbouw na einde wachttijd
2.8.
[verzoeker] verzoekt ook betaling van 160 opgebouwde uren, die volgens hem zijn opgebouwd na 9 oktober 2024. Artikel 7:634 lid 1 BW Pro bepaalt weliswaar dat alleen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode waarin een werknemer recht heeft op loon, dus in dit geval tot 9 oktober 2024, maar deze bepaling moet buiten beschouwing worden gelaten, aldus [verzoeker] . Hij betoogt dat dit wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving. In dat standpunt wordt hij niet gevolgd om de volgende redenen.
2.8.1.
De nationale rechter moet een nationale regeling buiten beschouwing laten als deze in strijd is met artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest [2] . Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie [3] met behoud van loon. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in Richtlijn 2003/88/EG.
2.8.2.
De kantonrechter is bekend met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU over vakantierechten [4] . In de uitspraak van 15 juli 2025 [5] onderkent het HvJ EU echter dat er
specifieke omstandigheden kunnen zijndie een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen.
De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen.
(1) Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om de overeenkomst in zo’n geval van rechtswege te beëindigen, terwijl de overeenkomst in feite inhoudsloos is geworden. Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werknemer volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werknemer dus geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen.
(2) Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet staat is te werken zal na 104 weken als uitgangspunt recht hebben op een uitkering en uit hoofde van die uitkering recht hebben op betaalde vakantie. Dit geldt ook voor [verzoeker] . Hij ontvangt immers vanaf 9 oktober 2024 een IVA uitkering.
2.8.3.
Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW Pro strijdig is met artikel 31 lid 2 EU Pro-Handvest. Dat betekent dat [verzoeker] na 9 oktober 2024 geen vakantie-uren meer heeft opgebouwd, zodat hij ook geen recht heeft op uitbetaling.
Bruto-/netto specificaties
2.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:626 BW Pro is VERM gehouden om aan [verzoeker] salarisspecificaties te verstrekken. Dit verzoek van [verzoeker] zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hier een dwangsom aan te verbinden.
Buitengerechtelijke kosten
2.10.
[verzoeker] heeft recht op een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen. Het verzochte bedrag van € 875,08 wordt toegewezen.
Proceskosten
2.11.
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, moet elk van partijen de eigen kosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per heden;
3.2.
veroordeelt VERM om aan [verzoeker] te betalen het netto equivalent van € 6.783,25 bruto aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt VERM om aan [verzoeker] een bedrag te betalen van € 597,10 bruto aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt VERM om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 2.371,11 bruto aan opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen;
3.5.
veroordeelt VERM om binnen een maand na vandaag aan [verzoeker] een deugdelijke bruto-/nettospecificatie te verstrekken van de hiervoor onder 3.3 en 3.4 genoemde bruto bedragen;
3.6.
veroordeelt VERM om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 875,08 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
783

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734
2.HvJ EU 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:374 (Max-Planck), punt 75
3.Het gaat in deze zaak niet om een betaalde vakantie, maar om uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.
4.Zie bijvoorbeeld HvJ EU 22 november 2001, ECLI:EU:C:2011:465
5.HvJ EU 15 juli 2025, ECLI:NL:EU:C:2025:586