Uitspraak
RECHTBANK RotterdaM
1.[eiser 1],2. [eiser 2],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met producties 1-5;
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
achterafgebleken dat de waarde van het werk en de overgedragen goederen minder bedroeg dan wat [eisers] hebben betaald, maar [eisers] hebben onvoldoende concreet gesteld dat [gedaagden] [naam bedrijf] werkzaamheden zouden hebben laten factureren, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat [naam bedrijf] de woning niet zou afbouwen en geen verhaal zou bieden. [gedaagden] hebben in dit verband aangevoerd dat de declaraties van [naam bedrijf] overeenstemden met de overeengekomen termijnenstaat en de verrichte werkzaamheden, hetgeen [eisers] niet voldoende hebben weersproken. Weliswaar heeft [naam bedrijf] een aanbetaling op de kozijnen aan [eisers] doorbelast in strijd met artikel 7:767 BW Pro, maar het verrichten van een dergelijke aanbetaling wijst (juist) niet op wetenschap dat de woning niet afgebouwd zou worden. Uit de correspondentie en de door [eisers] opgenomen gesprekken komt ook het beeld naar voren dat [gedaagden] zich hebben ingespannen om [naam bedrijf] de woning af te laten maken, ondanks de financiële moeilijkheden waarin [naam bedrijf] zich inmiddels bevond. Dat die financiële moeilijkheden zo ernstig waren dat [gedaagden] eerder dan medio september 2020 hadden moeten begrijpen dat dat mogelijk niet zou lukken, hebben [eisers] niet gesteld. Hooguit zijn [gedaagden] over de mogelijkheden om de woning af te maken te optimistisch geweest, maar dat is niet ernstig verwijtbaar. Daartoe is ook niet voldoende dat de curator zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld dat [naam bedrijf] geen deugdelijke projectadministratie heeft bijgehouden. [eisers] hebben niet gesteld op welke wijze dat de bouw van hun woning zou hebben geraakt.
6.De beslissing
[3669/106]