ECLI:NL:RBROT:2026:1286

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/10/701323 / JE RK 25-1208
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en wachtlijst hulpverlening

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen tot 4 augustus 2026. De kinderen wonen bij hun moeder, en de vader heeft sinds 2022 geen contact meer met hen. De hulpverlening vanuit Lelie Zorggroep is nog niet gestart vanwege een wachtlijst.

De vader voert geen verweer tegen de verlenging, maar uit zorgen over het langdurige proces en het gebrek aan vooruitgang. De moeder was niet aanwezig bij de zitting, maar was correct opgeroepen. De kinderrechter constateert dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds wordt bedreigd en dat het contact met de vader al jaren ontbreekt.

De rechter acht het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de belangen van de kinderen te behartigen en de hulpverlening te stimuleren. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen tot 4 augustus 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701323 / JE RK 25-1208
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.G.M. van Gorkum, kantoorhoudende te Den Haag.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 19 december 2025.
1.2.
Op 29 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 4 februari 2026.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 4 februari 2026 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 4 augustus 2026.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er wordt al langere tijd gewacht op het starten van de hulpverlening vanuit Lelie Zorggroep. Momenteel staan de moeder, de vader en de kinderen als tweede op de wachtlijst bij Lelie Zorggroep. Het starten van de hulpverlening kan daardoor heel snel gaan, maar dit kan ook nog enkele maanden duren. De GI heeft daar geen zicht op. In de kerstvakantie is de GI op huisbezoek geweest bij de moeder en de kinderen. De kinderen maken graag hun eigen mening kenbaar over de situatie. De GI is genoodzaakt te wachten op het starten van de hulpverlening zodat het proces goed kan worden begeleid en de mogelijkheden voor het contact tussen de vader en de kinderen kan worden onderzocht. Vooralsnog investeert de GI zelf ook zoveel mogelijk in contact met de kinderen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader heeft de kinderen sinds 2022 niet meer gezien en heeft het vermoeden dat er op de kinderen wordt ingepraat door de moeder. Inmiddels is de ondertoezichtstelling al vaak verlengd, maar is er tot op heden nog geen vooruitgang in de situatie geweest. De vader ziet de kinderen nog steeds niet en zij verkeren daardoor bij de moeder in een loyaliteitsconflict. De vader is bang dat het verlengen van de ondertoezichtstelling een voortdurend proces blijft waar hij niks mee opschiet. De vader wacht op het starten van omgangsbegeleiding vanuit Lelie Zorggroep, maar begrijpt dat de wachtlijsten daarvoor lang zijn. Desondanks is de vader zeer gemotiveerd om aan de slag te gaan. De vader is bang dat de moeder blijft aangeven niet beschikbaar te zijn voor de omgangsbegeleiding vanwege haar werk en dat de kinderen hier ook niet voor openstaan. Namens de vader wordt aangevoerd dat het tijd is om een vinger aan de pols te houden en te kijken of het opstarten van omgangsbegeleiding kan worden afgedwongen, bijvoorbeeld in de vorm van een schriftelijke aanwijzing. De vader voert geen verweer tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar spreekt wel zijn zorgen uit over het voortduren van de situatie waar tot op heden nog geen verandering in is gekomen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds onveranderd in hun ontwikkeling worden bedreigd. In juni 2025 is er een aanmelding gedaan bij Lelie Zorggroep, maar deze hulpverlening is tot op heden nog niet van de grond gekomen. Het is belangrijk dat de hulpverlening vanuit Lelie Zorggroep op korte termijn van start kan gaan, zodat er stappen kunnen worden gezet in de omgang tussen de kinderen en de vader. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk dat zij met beide ouders op onbelaste wijze contact kunnen hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment echter al enkele jaren in het geheel geen contact met de vader. Als er geen actie wordt ondernomen bestaat het risico dat de angstgevoelens van de kinderen richting de vader verergeren en dat het contact helemaal niet meer van de grond komt. De kinderrechter acht het niet reëel dat de ouders er in zullen slagen om deze situatie te veranderen zonder steun en sturing van de GI. Het is daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken blijft, zodat een onafhankelijk persoon de belangen van de kinderen voor ogen kan houden, de regie kan voeren en de noodzakelijke hulpverlening van de grond kan laten komen. Het is belangrijk dat er de komende periode stappen worden gezet en hiervoor is de medewerking van zowel de vader als de moeder noodzakelijk.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 4 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.