ECLI:NL:RBROT:2026:1313

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11594553 CV EXPL 25-5930
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling hoofdsom en rente wegens niet-betaalde geleverde artikelen

ALPC, een groothandel, heeft diverse artikelen geleverd aan de gedaagde die onder de naam Arrow Bow Europe handelde en later als Vrijetijdwinkel. Op 19 augustus en 9 september 2024 werden facturen uitgereikt voor respectievelijk € 3.999,21 en € 54,45. De gedaagde betaalde aanvankelijk niet, maar voldaan werd slechts het grootste bedrag na inschakeling van een gemachtigde.

ALPC bracht de betaling eerst in mindering op buitengerechtelijke kosten en rente, waarna een restant openbleef. De gedaagde erkende tijdens de zitting de verschuldigdheid van € 867,07 en stemde in met betaling uiterlijk 2 maart 2026. Over het openstaande bedrag is contractuele rente van 12% per jaar verschuldigd.

Verder is afgesproken dat ALPC een creditfactuur van € 54,45 zal sturen binnen 7 dagen na het vonnis. De proceskosten worden voor 75% toegewezen aan ALPC, wat neerkomt op € 496,43, met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 867,07 met 12% rente en proceskosten van € 496,43, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11594553 CV EXPL 25-5930
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
B.M. Joure B.V.,
die tevens handelt onder de naam ALPC (Aqua-fun Leisure & Pleasure Company),
vestigingsplaats: Heerenveen,
eiseres,
gemachtigde: O. Palmen, werkzaam bij Bierens Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde],
die handelde onder de naam [naan bedrijf],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ALPC’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 28 februari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de e-mails van [gedaagde], met bijlagen.
1.2.
Op 16 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met de gemachtigde van ALPC en met [gedaagde].

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
ALPC heeft als groothandel diverse artikelen verkocht en geleverd aan [gedaagde], die toen handelde onder de naam Arrow Bow Europe en thans handelt onder de naam Vrijetijdwinkel. Op 19 augustus 2024 en 9 september 2024 heeft ALPC met facturen bedragen van € 3.999,21 en € 54,45 in rekening gebracht. [gedaagde] heeft die bedragen aanvankelijk niet voldaan. Pas na inschakeling door ALPC van haar gemachtigde om de openstaande bedragen te innen, heeft [gedaagde] op 18 februari 2025 het bedrag van € 3.999,21 betaald. ALPC heeft dat bedrag eerst in mindering gebracht op de gemaakte buitengerechtelijke kosten, vervolgens op de tot en met 25 februari 2025 verschuldigd geworden rente, en daarna op de openstaande bedragen [1] . Er is een restbedrag open blijven staan. Buiten de gemachtigde om heeft ALPC aan [gedaagde] laten weten dat betaald moet worden, waarna zij de factuur van € 54,45 zal crediteren. De betaling is echter uitgebleven. ALPC is vervolgens tot dagvaarding overgegaan.
Toewijzing hoofdsom en rente
2.2.
Het door ALPC geëiste bedrag van € 867,07 aan hoofdsom wordt toegewezen. De reden hiervoor is dat [gedaagde] de verschuldigdheid van dit bedrag niet (langer) betwist en op de zitting te kennen heeft gegeven bereid te zijn het bedrag te betalen. Zoals afgesproken dient het bedrag uiterlijk op 2 maart 2026 te zijn betaald. Daarna is over het openstaande bedrag aan hoofdsom de contractuele rente van 12% per jaar verschuldigd. De gemachtigde van ALPC heeft hiermee ingestemd.
Creditnota
2.3.
Tussen partijen staat vast dat ALPC een creditfactuur van € 54,45 aan [gedaagde] zal doen toekomen. Dit dient te gebeuren binnen 7 dagen na dit vonnis.
Proceskosten
2.4.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt [2] . ALPC heeft te kennen gegeven genoegen te nemen met 75% van de proceskosten, uitgaande van
€ 119,40 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 135,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Het gaat dus om 75% van
€ 661,90. Dat is € 496,43. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad [3] verklaard, omdat ALPC dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ALPC te betalen € 867,07 aan hoofdsom met de contractuele rente van 12% per jaar over de openstaande hoofdsom vanaf 2 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van ALPC worden vastgesteld op € 496,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 6:44 lid 1 BW Pro
2.Artikel 237 Rv Pro
3.Artikel 233 Rv Pro