ECLI:NL:RBROT:2026:1316

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11646225 CV EXPL 25-9266
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ontbreken hoofdverblijf in huurwoning

De huurder [gedaagde 1] huurt sinds 2014 een woning van Stichting Woonplus. Woonplus vermoedt dat hij niet meer zijn hoofdverblijf in de woning heeft, mede omdat zijn vrouw en kinderen in een koopwoning elders wonen en verklaringen van omwonenden aangeven dat ook hij daar verblijft. Daarnaast zijn er meerdere inwoningsverzoeken en verzoeken tot huurbetaling vanaf andere bankrekeningen ontvangen. Tijdens huisbezoeken bleek dat een derde, [gedaagde 3], de grootste slaapkamer in gebruik had.

Woonplus vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De huurder stelt dat hij een latrelatie onderhoudt en afwisselend in beide woningen verblijft, waarbij hij de huurwoning gebruikt als plek voor zichzelf. De kantonrechter stelt dat het hoofdverblijf de plaats is waar het persoonlijke leven zich hoofdzakelijk afspeelt en dat het aan de huurder is dit te onderbouwen.

De huurder heeft onvoldoende specifieke informatie gegeven over zijn feitelijke bewoning, zoals dagelijkse aanwezigheid, activiteiten, en betalingen in 2025. Gezien het gezin met jonge kinderen dat in de koopwoning woont, acht de kantonrechter aannemelijk dat het hoofdverblijf niet in de huurwoning is. Het gebruik van de huurwoning als uitvalsbasis is onvoldoende om het hoofdverblijf aan te nemen.

De huurovereenkomst wordt ontbonden op grond van het ontbreken van het hoofdverblijf, en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en tot betaling van een gebruiksvergoeding van €706,54 per maand tot ontruiming. De kantonrechter wijst de overige vorderingen af, waaronder de subsidiaire vorderingen tegen de andere gedaagden en de vergoeding van ontruimingskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de huurder draagt de proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens ontbreken hoofdverblijf en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11646225 CV EXPL 25-9266
datum uitspraak: 9 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1.[gedaagde 1],

woonplaats: Schiedam,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [plaatsnaam],
3. [gedaagde 3],
gedaagden,
gemachtigde: mr. A. Dogan.
Eiseres wordt hierna ‘Woonplus’ genoemd. Gedaagden worden hierna, wanneer zij afzonderlijk worden genoemd, aangeduid als ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’ en ‘[gedaagde 3]’.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Woonplus;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van gedaagden.
1.2.
Op 3 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig;
- namens Woonplus [naam 1] (regisseur leefbaarheid) en [naam 2] (regisseur leefbaarheid) met de gemachtigde van Woonplus;
- [gedaagde 1] en [gedaagde 3] met de gemachtigde van gedaagden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] huurt sinds 10 juli 2014 de woning aan de [adres] (hierna: de woning of het gehuurde) van Woonplus. [gedaagde 1] heeft in de woning samengewoond met zijn partner [gedaagde 2], met wie hij op [datum] getrouwd is en inmiddels twee kinderen heeft. [gedaagde 2] heeft vanaf 1 september 2014 tot 30 september 2021 in de BRP ingeschreven gestaan op het adres van de woning. [gedaagde 2] heeft op 30 september 2021 een woning in [plaatsnaam] in eigendom verkregen (hierna: de koopwoning) en staat per die datum op het adres van die woning ingeschreven. De kinderen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die geboren zijn in 2024 en 2025, wonen in de koopwoning van [gedaagde 2] in [plaatsnaam].
Sinds 27 april 2019 staat [gedaagde 3] met toestemming van Woonplus op het adres van het gehuurde ingeschreven.
2.2.
Woonplus heeft het vermoeden gekregen dat [gedaagde 1] niet (meer) zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Zij baseert dit vermoeden vooral op het feit dat hij een vrouw en kinderen heeft die in de koopwoning in [plaatsnaam] wonen en verklaringen van omwonenden van de koopwoning in [plaatsnaam] die hebben verklaard dat ook [gedaagde 1] in de koopwoning woont. Daar komt bij dat Woonplus voor het gehuurde meerdere inwoningsverzoeken heeft ontvangen én verzoeken om de huur van een ander bankrekeningnummer af te schrijven. Woonplus heeft de woning meerdere keren bezocht en tijdens en door die huisbezoeken kreeg zij de indruk dat [gedaagde 1] niet meer in de woning woont. Dit laatste lijkt volgens Woonplus onder meer te volgen uit het feit dat tijdens een huisbezoek in december 2024 bleek dat [gedaagde 3] de grootste slaapkamer in de woning in gebruik had genomen.
[gedaagde 1] heeft Woonplus er voorafgaand aan deze procedure niet van overtuigd dat hij zijn hoofdverblijf wel in de woning heeft.
Woonplus gaat er ook vanuit dat [gedaagde 1] de woning in gebruik heeft gegeven aan
[gedaagde 3], al dan niet tegen betaling, en meent dat [gedaagde 1] zich niet gedraagt zoals een goed huurder betaamt.
2.3.
Daarom eist Woonplus in deze procedure dat de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] ontbonden wordt en dat hij de woning moet verlaten.
Zij eist ook voorwaardelijk, voor het geval [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich op het standpunt stellen dat zij in de woning mogen blijven op basis van medehuur respectievelijk onderhuur, dat de huurovereenkomsten tussen Woonplus en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden ontbonden en dat zij de woning ook moeten verlaten.
2.4.
[gedaagde 1] is het niet eens met de eis. Volgens hem onderhoudt hij een latrelatie met zijn vrouw [gedaagde 2] en verblijft hij zowel in het gehuurde als in de koopwoning. Hij wil het gehuurde niet kwijt, omdat hij het gehuurde volgens eigen zeggen nodig heeft als plek voor zichzelf om tot rust te komen. Dat komt volgens [gedaagde 1] ten goede aan de relatie met zijn vrouw. Als hij en zijn vrouw te veel op elkaars lip zitten, dan ontstaan er ruzies tussen hen, aldus [gedaagde 1].
2.5.
[gedaagde 2] stelt dat zij geen hoofdverblijf heeft in de woning en [gedaagde 3] en [gedaagde 1] stellen dat er geen sprake is van een onderhuurrelatie tussen hen. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] is [gedaagde 3] slechts ‘inwoner’ in de woning.
De voorwaardelijke vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
2.6.
De kantonrechter stelt voorop dat de voorwaarden, waaronder de vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn ingesteld, niet in vervulling zijn gegaan. Daarom komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van deze vorderingen.
Hoofdverblijf
2.7.
Het hoofdverblijf van iemand is de plaats, in dit geval specifiek de woning, waar het persoonlijke leven van iemand zich hoofdzakelijk afspeelt. Kenmerkend voor het hoofdverblijf is in ieder geval dat dat de plaats is waar een bewoner steeds naar terugkeert. Het hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde is op grond van de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] één van de hoofdverplichtingen van [gedaagde 1] als huurder.
De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde 1] (en [gedaagde 3]) moet(en) de woning verlaten
2.8.
De huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] met betrekking tot het gehuurde wordt ontbonden, omdat er in rechte niet van kan worden uitgegaan dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
2.9.
De kantonrechter acht het op basis van de door Woonplus gestelde feiten en omstandigheden voldoende gerechtvaardigd dat zij een vermoeden kreeg dat [gedaagde 1] niet (meer) zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Dit vermoeden van Woonplus acht de kantonrechter dus redelijk.
2.10.
Daarmee is het al aan [gedaagde 1] om onderbouwd te stellen dat hij zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft. Een huurder die zich op het standpunt stelt dat hij zijn hoofdverblijf heeft in een woning moet kunnen stellen en onderbouwen hoe hij feitelijk vormgeeft aan het wonen in de woning. [gedaagde 1] heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan. Hij heeft onvoldoende specifieke informatie gegeven over hou hij de woning zou bewonen. Zo heeft hij niet gesteld hoe zijn dagelijks leven eruit ziet, wanneer hij in de woning is en hoe lang, wat hij allemaal doet in en rondom de woning, wanneer hij daar al dan niet eet en/of slaapt.
In dit kader merkt de kantonrechter nog op dat uit het door [gedaagde 1] overgelegde overzicht van betalingen met zijn creditcard geen betalingen blijken die in het jaar 2025 zijn gedaan; de laatste betaling die daarop te zien is, is van 24 december 2024. Alleen al daarom acht de kantonrechter dit overzicht niet veelzeggend.
2.11.
Vooral tegen de achtergrond dat [gedaagde 1] een gezin heeft met twee jonge kinderen, waarvan één pasgeboren, vindt de kantonrechter dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en níet bij zijn gezin. Zijn verklaring over het afwisselend verblijven in de huurwoning en in de koopwoning waar zijn vrouw en kinderen wonen lijkt erop neer te komen dat hij het gehuurde (alleen) gebruikt als hij tijd voor zichzelf wil, omdat dit beter en volgens hem ook nodig is om de relatie met zijn vrouw goed te houden. Het aanhouden van een woning als ‘uitvalsbasis’ is iets anders dan een woning hebben als thuisbasis, waar men zijn hoofdverblijf heeft.
2.12.
Nu er van uitgegaan kan worden dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft, wordt de huurovereenkomst ontbonden. Het niet hebben van het hoofdverblijf in een gehuurde woning acht de kantonrechter immers ernstig genoeg om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen (artikel 6:265 BW Pro).
Bovendien zijn naar het oordeel van de kantonrechter geen specifieke feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat [gedaagde 1]’s belang bij het behoud van de woning zwaarder zou moeten wegen dan het belang van Woonplus bij het verhuren van de woning aan een huurder die de woning nodig heeft en daar wel zijn hoofdverblijf zal houden.
2.13.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden vanwege het niet hebben van het hoofdverblijf, blijven de andere (subsidiaire) grondslagen voor de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst onbesproken.
2.14.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde 1] de woning met al zijn spullen en personen die zich vanwege hem daar bevinden verlaten. Dit betekent dat ook
[gedaagde 3] de woning moet verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.
Gebruiksvergoeding
2.15.
[gedaagde 1] moet een gebruiksvergoeding van € 706,54 per maand betalen tot en met de dag dat hij de woning met al zijn spullen heeft verlaten (artikel 7:225 BW Pro). Woonplus eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 1] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
Geen machtiging tot ontruiming
2.16.
De kantonrechter machtigt Woonplus niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen (artikel 444 en Pro 557 Rv).
Afwijzing eis tot vergoeding ontruimingskosten
2.17.
Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.18.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan Woonplus moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 135,00 aan griffierecht,
€ 408,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,00) en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 790,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Een vergoeding voor de kosten voor het dagvaarden van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is niet toewijsbaar. Deze kosten, waaronder informatiekosten, blijven als nodeloos gemaakt voor rekening van Woonplus.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] en veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis de woning aan het [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om vanaf de datum van dit vonnis tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonplus te betalen € 706,54 per maand;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 790,45;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
757