AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen valsheid in geschrift, witwassen en deelname criminele organisatie bij coronasteunfraude
De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift door het vals opmaken van 14 aanvragen voor de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) tijdens de coronaperiode. Daarnaast is bewezen verklaard dat verdachte gewoontewitwassen heeft gepleegd door provisiebedragen te verwerven die voortkwamen uit de fraude, en dat hij deelnam aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van deze misdrijven.
Het bewijs bestond uit onder meer WhatsApp-communicatie op de telefoon van verdachte, een USB-stick met valse aangiften omzetbelasting, en een koppeling van IP-adres aan het woonadres van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, maar dit verweer werd verworpen vanwege het ontbreken van noodzaak tot bewijsuitsluiting en het ontbreken van concreet nadeel.
De rechtbank oordeelde dat de fraude ernstig was, omdat verdachte misbruik maakte van gemeenschapsgeld bedoeld voor noodmaatregelen tijdens de pandemie. De redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot strafvermindering. De opgelegde straf is 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
De vordering van de benadeelde partij, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, tot schadevergoeding van ruim € 2,7 miljoen werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de complexiteit en het ontbreken van een volledig debat over de civiele aansprakelijkheid binnen het strafproces. De rechtbank bepaalde dat deze vordering bij de burgerlijke rechter moet worden aangebracht.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan criminele organisatie bij coronasteunfraude.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-193849-21
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Datum zitting: 11 en 12 december 2025 en 22 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] .
Advocaat van de verdachte: mr. P. Celikkal
Officier van justitie: mr. J. Bezem
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. G.C. Nieuwland
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met anderen gefraudeerd met financiële overheidssteun in de coronaperiode. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift door 14 aanvragen inzake de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL) vals op te maken, het witwassen van provisiebedragen die hij en de medeverdachten hebben ontvangen van de bij de fraude betrokken ondernemers, en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 21 maanden waarvan
6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (hierna: [afkorting naam benadeelde] ) wordt niet beslist, omdat deze te complex is om in het strafproces te behandelen en de partijen daarover niet het volledige debat hebben kunnen voeren.
Leeswijzer
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met de medeverdachten 14 TVL-aanvragen vals heeft opgemaakt, een bedrag van € 3.358.530,95 heeft witgewassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.
De beschuldiging is voor een deel bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.
De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.
In hoofdstuk 5 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen.
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering. In hoofdstuk 6 wordt deze beslissing uitgelegd.
In hoofdstuk 8 staan alle beslissingen in het kort.
1.Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 te 's-Gravenhage en/of Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geschriften, die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag TVL d.d. 16 oktober 2020 op naam van [naam bedrijf 1] . (DOC en DOC-110 nr. 109) en/of
- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 2] . (DOC-065 en DOC-110, nr. 18)
- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 3] . (DOC-103 en
DOC-110 nr. 141)
- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [naam bedrijf 4]
(DOC-014 en DOC-110 nr. 36) en/of
- een aanvraag TVL d.d. 29-11-2020 op naam van [naam bedrijf 5] (DOC-106 en DOC-110, nr. 45) en/of
- een aanvraag TVL d.d. 30 november 2020 op naam van [naam bedrijf 6] (DOC-077 en DOC-110 nr. 38)
- een aanvraag TVL d.d. 6 december 2020 op naam van [naam bedrijf 7] (DOC-075 en DOC-110 nr. 139)
- een aanvraag TVL d.d. 14 december 2020 op naam van [naam bedrijf 8] (DOC-018 en DOC-110 nr. 71) en/of
- een aanvraag TVL d.d. 15 december 2020 op naam van [naam bedrijf 9] . (DOC-020 en DOC-110 nr. 124) en/of
- een aanvraag TVL d.d. 16 december 2020 op naam van [naam bedrijf 10] (DOC-021 en
DOC-110, nr. 113)
- een aanvraag TVL d.d. 18 december 2020 op naam van [naam bedrijf 11] . (DOC-055 en DOC-110, nr. 103)
- een aanvraag TVL d.d. 25-12-2020 op naam van [naam bedrijf 5] (DOC-049 en DOC-110, nr. 47)
- een aanvraag TVL d.d. 7 januari 2021 op naam van [naam bedrijf 12] (DOC-028 en DOC-110, nr. 138)
- een aanvraag TVL d.d. 26 januari 2021 op naam van [naam bedrijf 13] (DOC- en
DOC-110, nr. 185)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, door (telkens)
- op de aanvraagformulieren te vermelden dat de ondernemingen in de referentieperioden van 2019 (zeer) hoge omzetten, in elk geval hoger dan bij de belastingdienst opgegeven omzetten, hebben gehad en/of
- op de aanvraagformulieren aan te vinken de aanvraag naar waarheid te hebben ingevuld en/of
- vervalste aangiften OB (bijlagen) bij voornoemde aanvraagformulieren toe te voegen/mee te sturen,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2020 tot en met heden te ’s-Gravenhage en/of Voorburg, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen;
3.
hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2020 tot en met heden, te 's-Gravenhage en/of Voorburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen zijnde in totaal (ongeveer)
3.358.530,95 euro (DOC-110 en AMB-072-01), in elk geval enige geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op voorwerpen waren en/ of heeft/hebben verborgen en/ of verhuld wie voorwerpen voorhanden hebben gehad, en/of één of meerdere geldbedrag(en) zijnde in totaal (ongeveer) 3.358.530,95 euro heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en/of zijn mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
2.Bewijs
2.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2 en 3. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. Voor zover door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de bewijsmiddelen zullen deze niet afzonderlijk worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte in wisselende samenstellingen met de medeverdachten
14 TVL-aanvragen vals heeft opgemaakt, provisiebedragen heeft witgewassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande aanvullende bewijsmotivering.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Inleiding
Op 22 april 2021 heeft de [afkorting naam benadeelde] aangifte gedaan van het indienen van valse TVL-aanvragen voor het vierde kwartaal van 2020.
Op grond van de regeling TVL werd een financiële tegemoetkoming geboden aan ondernemers die door de overheidsmaatregelen ten tijde van de Covid-pandemie omzetverlies leden en daardoor in de problemen kwamen met het betalen van hun vaste lasten. Volgens de [afkorting naam benadeelde] was bij de onderbouwing van de betreffende TVL-aanvragen steeds een veel hogere omzet opgegeven dan de omzet zoals die was opgegeven bij de Belastingdienst. Bij het indienen van de TVL-aanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 moest een afschrift worden meegestuurd van de aangifte omzetbelasting van het vierde kwartaal van het voorgaande jaar. Van het totaal aantal valse aanvragen waren 121 aanvragen via IP-adres [IP-adres] ingediend.
Feit 1
Identificatie verdachte in chats
Het IP-adres [IP-adres] is te herleiden naar het woonadres van de moeder van de verdachte, waar de verdachte in de pleegperiode woonde. Bij een doorzoeking op dit adres werd naast het bed in de slaapkamer van de verdachte een telefoon gevonden en in beslag genomen. In de Whatsapp-communicatie die in de telefoon werd aangetroffen, werd de gebruiker van de telefoon aangesproken als [voornaam verdachte] . Dat is de voornaam van de verdachte. Uit deze berichten bleek dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] [1] informatie van verschillende ondernemingen aan de gebruiker van de telefoon doorgaven.
De medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat dit het telefoonnummer van de verdachte was. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank, anders dan de verdediging, ervan uit dat de onderzochte telefoon bij de verdachte in gebruik was en hij dus de betreffende berichten heeft verzonden en ontvangen.
Verweer onrechtmatig verkregen bewijs (Landeck)
Door de verdediging is onder verwijzing naar het Landeck-arrest [2] het verweer gevoerd dat de uit de telefoon van de verdachte verkregen Whatsapp-communicatie niet rechtmatig is verkregen en daarom niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Gelet op de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte had de rechter-commissaris voor dit onderzoek namelijk toestemming moeten geven en dat is niet gebeurd.
Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank is het wel met de verdediging eens dat te voorzien was dat het onderzoek in de telefoon van de verdachte een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer zou vormen en dat er daarom voor dit onderzoek voorafgaande toestemming aan de rechter-commissaris had moeten worden gevraagd.
Nu die toestemming niet is gevraagd, is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
De vraag is of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden.
Bewijsuitsluiting kan als rechtsgevolg aan de orde zijn als dat noodzakelijk is om een schending van artikel 6 vanPro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen, of als er sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Van beide gevallen is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang dat op het moment van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte het Landeck-arrest nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was.
De rechtbank past daarom geen bewijsuitsluiting toe.
Strafvermindering kan alleen aan de orde zijn als de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft geleden. Dan moet de strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd zijn.
De schending van het privéleven van de verdachte levert al een voldoende concreet nadeel op. De rechtbank weegt echter mee dat, zou een rechter-commissaris wel om toestemming zijn gevraagd voorafgaand aan het onderzoek in de telefoon, deze rechter-commissaris, gelet op de ernst en omvang van de verdenking, deze toestemming zonder nadere beperkingen had kunnen geven. De verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt dan de situatie waarin het vormverzuim zich niet had voorgedaan.
De rechtbank vindt strafvermindering daarom niet op zijn plaats en zal aan het vormverzuim geen rechtsgevolgen verbinden.
USB-stick is van verdachte
Bij de genoemde doorzoeking is ook een USB-stick aangetroffen en in beslag genomen. Daarop waren grote aantallen aangiften omzetbelasting opgeslagen. Deze aangiften komen overeen met de valse aangiften die zijn meegestuurd met TVL-aanvragen die zijn ingediend via IP-adres [IP-adres] , gekoppeld aan de woning van de verdachte. De USB-stick werd aangetroffen in de jaszak van een herenjas die in de gang van de woning van de verdachte hing. Bij de documenteigenschappen van de aangiften omzetbelasting op de USB-stick stond bovendien als auteur [verdachte] vermeld. Uit al deze omstandigheden bij elkaar leidt de rechtbank af dat de USB-stick aan de verdachte toebehoorde.
Verdachte heeft aanvragen ingediend, koppeling IP-adres
Omdat de verdachte in de pleegperiode op het adres woonde dat gekoppeld is aan het
IP-adres [IP-adres] , in combinatie met de op de USB-stick aangetroffen valse
OB-aangiften, de documenteigenschappen daarvan en het op de telefoon van de verdachte uitgelezen Whatsapp-verkeer, concludeert de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de 14 TVL-aanvragen heeft ingediend bij de [afkorting naam benadeelde] .
Vals opmaken
Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze 14 TVL-aanvragen vals opgemaakt. Dat blijkt uit de volgende omstandigheden:
Op de TVL-aanvragen zijn hogere omzetten vermeld dan zoals door de betreffende onderneming over dezelfde periode is opgegeven bij de Belastingdienst.
Op de TVL-aanvragen is aangegeven dat deze naar waarheid zijn ingevuld, terwijl dit niet het geval was. De rechtbank begrijpt uit de aanvraagformulieren in het dossier dat dit door middel van een vinkje is aangegeven.
Bij de TVL-aanvragen zijn vervalste aangiften omzetbelasting als bijlage meegestuurd. Niet alleen zijn in deze aangiften (net als in de aanvragen zelf) omzetten genoemd die niet kloppen, ook worden in deze aangiften aangiftenummers vermeld die niet bestaan. Dat sprake is van vervalste aangiften wordt bovendien bevestigd door het feit dat de meeste van deze aanvragen (12 van de 14) op de USB-stick van de verdachte zijn aangetroffen en allemaal door hem zijn aangemaakt op 28 oktober 2020. Op deze datum verstuurt de verdachte in een chat een bestand met een zelfgemaakte valse aangifte BTW en zegt ‘ik ben hier 1 uur lang mee bezig geweest’. Kennelijk heeft dit bestand als model gediend voor alle vals opgemaakte aangiften omzetbelasting.
Geen alternatief scenario
Namens de verdediging is naar voren gebracht dat de betrokken ondernemers uitsluitend andere personen dan de verdachte, en niet de verdachte zelf, hebben herkend. Anders dan de verdediging heeft bepleit, vormt dit geen zelfstandig alternatief scenario dat tot vrijspraak moet leiden. Dat andere personen contact hebben gehad met de ondernemers doet immers niet af aan de rol die de verdachte had inzake de ten laste gelegde valsheid in geschrift.
Conclusie feit 1
Gelet op het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen is bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het vals opmaken van alle 14 ten laste gelegde TVL-aanvragen.
Feit 3
Witwassen volledige bedrag niet bewezen
Het primaire standpunt van de officier van justitie dat sprake is van witwassen van een bedrag van € 3.286.530,95 (het tenlastegelegde bedrag minus een fouttelling van € 72.000,-) neemt de rechtbank niet over. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten de op de TVL-aanvragen uitgekeerde bedragen hebben omgezet in goederen, of andere omzettingshandelingen hebben verricht. Voor zover de ondernemers hebben verklaard over omzetting van de aan hen uitgekeerde bedragen, geldt dat – los van het feit dat het gebruik van deze verklaringen voor het bewijs in strijd zou kunnen zijn met artikel 6 EVRMPro vanwege de (op verzoek van de officier van justitie) afgewezen getuigenverzoeken – er ten aanzien van de verdachte geen bewijs is voor een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt. De stelling van de officier van justitie dat de verdachte en de medeverdachten op grond van de modus operandi het opzet hadden om het geld om te zetten, bewijst niet dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. De rechtbank kan evenmin met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte en de medeverdachten en/of de ondernemers op andere wijze (de optelsom van) het volledige door de [afkorting naam benadeelde] aan de ondernemers uitgekeerde bedrag (€ 3.286.530,95) hebben witgewassen.
Gewoontewitwassen provisiebedragen wel bewezen
Wel is uit de op de telefoon van de verdachte aangetroffen Whatsapp-communicatie gebleken dat de ondernemers een percentage aan provisie van de door hen ontvangen TVL-uitkering aan de verdachte en de medeverdachten moesten betalen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachte en de medeverdachten deze provisiebedragen, die uit oplichting van de [afkorting naam benadeelde] afkomstig zijn, verworven. De [afkorting naam benadeelde] heeft voorschotten uitgekeerd op de TVL-aanvragen die via het IP-adres van de verdachte zijn ingediend. Dat er daadwerkelijk provisiebedragen bij de verdachte en de medeverdachten terecht zijn gekomen, volgt uit de stortingen op de bankrekeningen van de medeverdachte [medeverdachte 4] . Verder werd in de Whatsapp-communicatie meermaals gesproken over de verdeling van de provisie over verschillende personen en werd een overzicht van (verschillende) percentages gedeeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte en zijn medeverdachten over deze provisiebedragen hebben kunnen beschikken.
Uit het dossier blijkt dat de fraude met de TVL-aanvragen omvangrijker was dan de 14 aanvragen die uiteindelijk onder feit 1 in de beschuldiging zijn opgenomen. Nu de (precieze) betrokkenheid van de verdachte bij elke afzonderlijke aanvraag onvoldoende uit het dossier blijkt, de verdachten en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten en daarnaast de exacte hoogte van de
provisiebedragen/-percentages niet kan worden vastgesteld, wordt het witwassen door het verwerven van “geldbedragen” in zijn algemeenheid bewezen verklaard. Omdat de verdachte dit meermalen en gedurende bijna een jaar heeft gedaan, is er sprake van gewoontewitwassen.
Feit 2
De verdachte heeft gedurende meerdere maanden samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met het doel valse TVL-aanvragen in te dienen, en die samenwerking had een meer dan incidenteel karakter. Uit de op de telefoon van de verdachte aangetroffen Whatsapp-communicatie volgt dat de verdachte met de medeverdachten samenwerkte en dat zij de opbrengst van de fraude samen deelden.
Dat samenwerken gebeurde weliswaar in wisselende samenstellingen, maar wel met het gezamenlijke oogmerk om de TVL-aanvragen vals op te maken en vervolgens de opbrengst van de fraude (oplichting) wit te wassen.
De verdachte en de medeverdachten hadden ieder een eigen rol in de fraude. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] waren verantwoordelijk voor het voorbereiden en het indienen van de TVL-aanvragen, en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] waren verantwoordelijk voor het werven van ondernemers en het aanleveren van de bedrijfsgegevens. De medeverdachte [medeverdachte 2] gaf overigens ook instructies aan de verdachte. Daarmee is er sprake van een organisatie met een structuur, een duurzaam karakter en een gemeenschappelijk oogmerk om misdrijven te plegen. Niet kan worden vastgesteld dat de drie medeverdachten individueel betrokken zijn geweest bij alle 14 ten laste gelegde TVL-aanvragen, maar dat doet niet af aan het samenwerkingsverband in de zin van artikel 140 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Dit betekent dat is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Pleegperiode feiten 2 en 3
De einddatum van de bewezen pleegperiode zal voor wat betreft de feiten 2 en 3 worden bepaald op 12 oktober 2021, de datum waarop de verdachte is aangehouden. Er is geen bewijs voor de stelling dat de strafbare feiten daarna nog zijn gepleegd.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag TVL d.d. 16 oktober 2020 op naam van [naam bedrijf 1] .,
- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 2] .,
- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 3] .,
- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [naam bedrijf 4] ,
- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [naam bedrijf 5] .,
- een aanvraag TVL d.d. 30 november 2020 op naam van [naam bedrijf 6] ,
- een aanvraag TVL d.d. 6 december 2020 op naam van [naam bedrijf 7] ,
- een aanvraag TVL d.d. 14 december 2020 op naam van [naam bedrijf 8] ,
- een aanvraag TVL d.d. 15 december 2020 op naam van [naam bedrijf 9] .,
- een aanvraag TVL d.d. 16 december 2020 op naam van [naam bedrijf 10] ,
- een aanvraag TVL d.d. 18 december 2020 op naam van [naam bedrijf 11] .,
- een aanvraag TVL d.d. 25 december 2020 op naam van [naam bedrijf 5] .,
- een aanvraag TVL d.d. 7 januari 2021 op naam van [naam bedrijf 12] , en
- een aanvraag TVL d.d. 26 januari 2021 op naam van [naam bedrijf 13] ,
valselijk heeft opgemaakt, door
- op de aanvraagformulieren te vermelden dat de ondernemingen in de referentieperioden van 2019 omzetten, hoger dan bij de belastingdienst opgegeven omzetten, hebben gehad, en
- op de aanvraagformulieren aan te vinken de aanvraag naar waarheid te hebben ingevuld, en
- vervalste aangiften OB (bijlagen) bij voornoemde aanvraagformulieren toe te voegen/mee te sturen,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2.
hij in de periode van 7 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 in Nederland
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen;
3.
hij in de periode van 16 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen geldbedragen heeft verworven, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en zijn mededaders, van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt.
3.Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
Feit 2
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
Feit 3
medeplegen van gewoontewitwassen.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4.Straf
4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De door de verdachte gepleegde strafbare feiten zien op fraude met betrekking tot de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie aan ondernemers werd geboden in verband met de economische gevolgen van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door 14 TVL-aanvragen vals op te maken. De verdachte en de medeverdachten ontvingen van de bij de fraude betrokken ondernemers een deel van de door hen ten onrechte verkregen steungelden als provisie. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van deze provisiebedragen. De verdachte heeft de fraude met de TVL-aanvragen samen met anderen gepleegd waarbij elke verdachte zijn eigen rol had.
De verdachte heeft ook deelgenomen aan een criminele organisatie.
De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor gedupeerde mkb-ondernemers. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven geroepen werd in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid zich met snelle, laagdrempelige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die speelden boven controleerbaarheid vooraf. De verdachte heeft hier, samen met zijn medeverdachten, schaamteloos misbruik van gemaakt. Uit de gesprekken die de verdachte en zijn medeverdachten voerden volgt dat zij wisten dat er achteraf controles zouden plaatsvinden en dat na enige maanden ‘de bom zou barsten’. Ze maakten daarbij afspraken hoe zij onder de radar zouden kunnen blijven.
Het doel was om zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld buit te maken, ten koste dus van gemeenschapsgeld. Chatgesprekken als "Laten we het snel doen, ik wil zwemmen in het geld", “we kunnen er dik aan verdienen” en “dan moeten we een geldtelmachine kopen” spreken daarbij boekdelen.
Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van geschriften zoals steun- c.q. subsidieaanvragen
– juist in een periode van een wereldwijde pandemie – op ernstige wijze beschaamd.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 12 oktober 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld.
Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en de verdachte slechts kort in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf. Dit wordt hierna nader toegelicht.
4.3.4.
Oplegging straf
Bij het bepalen van de strafmaat wordt in fraudezaken vaak rekening gehouden met het benadelingsbedrag. De hoogte van het bedrag waarvoor de [afkorting naam benadeelde] is benadeeld, laat zich in deze zaak niet eenvoudig vaststellen. De fraude met de TVL-aanvragen is veel omvangrijker dan de 14 aanvragen die uiteindelijk ten laste zijn gelegd. Via het IP-adres van de verdachte zijn 121 TVL-aanvragen ingediend waarop de [afkorting naam benadeelde] een totaalbedrag van bijna 3,3 miljoen euro heeft uitgekeerd. Omdat niet voor alle aanvragen is onderzocht of de verdachte daarbij concreet betrokken was, en de verdachte en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten, kan de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor het totale benadelingsbedrag. Wel is bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de 14 TVL-aanvragen onder feit 1. Op die TVL-aanvragen heeft de [afkorting naam benadeelde] in totaal een bedrag van ruim € 550.000,- uitgekeerd. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf uitgaan van dit benadelingsbedrag.
Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij dit benadelingsbedrag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur tussen de 18 en 24 maanden.
De hierboven beschreven ernst van de feiten en de daarbij geschetste strafverzwarende omstandigheden van de coronatijd, rechtvaardigen de keuze om aan de bovenkant van die bandbreedte te gaan zitten. Daarom zal de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden nemen. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zullen hierop drie maanden (10% met afronding) in mindering worden gebracht, waardoor een gevangenisstraf van 21 maanden resteert.
Omdat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Omdat het hier gaat om oudere feiten en de verdachte sindsdien geen andere strafbare feiten heeft gepleegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de proeftijd langer te laten duren dan een jaar.
5.In beslag genomen voorwerpen
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De USB-stick (nr. 2 op de beslaglijst van 13 mei 2025) moet worden onttrokken aan het verkeer en de administratie (nr. 3) en de telefoon (nr. 4) moeten aan de verdachte worden teruggegeven.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
5.2.1.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen USB-stick met de daarop aanwezige bestanden wordt onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet, omdat daarop grote aantallen valse stukken zijn opgeslagen. De strafbare feiten zijn met behulp van de USB-stick gepleegd dan wel voorbereid.
5.2.2.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon en administratie.
6.Vordering van de benadeelde partij
6.1.
Vordering
[benadeelde] ( [afkorting naam benadeelde] ) heeft als benadeelde partij voor de drie feiten € 2.738.577,97 als vergoeding van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de [afkorting naam benadeelde] kan integraal worden toegewezen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De [afkorting naam benadeelde] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering dan wel de vordering moet worden afgewezen, omdat het causale verband ontbreekt, de vordering te complex is om in het kader van het strafproces te behandelen en de schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De [afkorting naam benadeelde] vordert vergoeding van de door haar aan de ondernemingen uitgekeerde tegemoetkoming, voor zover die niet reeds door de individuele ondernemingen is terugbetaald. Op het moment van indiening van de vordering bedroeg deze schade in totaal € 2.738.577,97. Volgens de [afkorting naam benadeelde] zijn de individuele onderneming, de verdachte en de medeverdachten naar burgerlijk recht (steeds) hoofdelijk aansprakelijk voor de individueel uitgekeerde tegemoetkoming. De verdachte en de medeverdachten zijn in het strafproces dus hoofdelijk aansprakelijk voor de optelsom daarvan. Volgens productie 1 bij de toelichting op de vordering gaat het om 46 ondernemingen, waarvan slechts acht ondernemingen in deze zaak op de beschuldiging staan.
Nog los van de vraag of de door de [afkorting naam benadeelde] geleden schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder de door de verdachten gepleegde valsheid in geschrift, blijkt uit het dossier niet dat elke verdachte steeds betrokken was bij elke TVL-aanvraag. Voor de ondernemingen die onder feit 1 zijn vermeld, is die individuele betrokkenheid wel vastgesteld, maar voor de overige ondernemingen niet. De verdachte heeft weliswaar deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband dat betrokken was bij meer aanvragen dan de aanvragen vermeld onder feit 1, maar daarbij was sprake van een wisselende deelname aan dat samenwerkingsverband door de individuele verdachten.
Dat betekent dat niet elke verdachte zonder meer aansprakelijk is voor elke uitgekeerde tegemoetkoming, en dat ook niet kan worden vastgesteld welke verdachte voor welk deel van het totale tegemoetkomingsbedrag aansprakelijk is.
Weliswaar is de verdachte betrokken geweest bij alle aanvragen vermeld onder feit 1 en zijn de overige aanvragen ook via zijn IP-adres ingediend, op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat de verstrekking van de tegemoetkoming door de [afkorting naam benadeelde] aan de ondernemers uitsluitend plaatsvond door het strafbare handelen van de verdachten.
De individuele ondernemingen hebben in ieder geval hun bedrijfsgegevens aan de verdachten beschikbaar gesteld. Uit het dossier blijkt niet wat hun precieze(re) rol is geweest bij de aanvraag en verkrijging van de tegemoetkoming. Verder blijkt uit de aangifte van de [afkorting naam benadeelde] dat de door de [afkorting naam benadeelde] toegekende tegemoetkoming steeds op de bankrekening van de onderneming werd uitgekeerd. De verdachten hebben dus niet rechtstreeks de beschikking gekregen over de volledige tegemoetkoming. Uit het dossier blijkt dat zij voor hun handelingen een provisie hebben ontvangen van de ondernemingen. Hoeveel dat concreet was, per toegekende aanvraag, blijkt niet uit het dossier. De verdachten hebben daarover ook geen openheid van zaken gegeven. Daarbij speelt echter een rol dat de aard van het strafproces zich verzet tegen een volwaardig processueel debat over de civiele aansprakelijkheid, en in dit geval de omvang van de schadevergoedingsverplichting in het bijzonder, ook nu de behandeling van de ontnemingszaak is losgekoppeld van de behandeling van de strafzaak. Ook daardoor is niet eenvoudig vast te stellen voor welk deel van welke tegemoetkoming de verdachte aansprakelijk is.
Dit betekent dat er veel juridische geschilpunten zijn. De rechtbank heeft deze kwesties nadrukkelijk aan de orde gesteld op de zitting. De rechtbank vindt – mede gelet op het recht om een zwijgende of ontkennende proceshouding aan te nemen – dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat beide partijen in voldoende mate over deze vragen het debat hebben kunnen voeren. Dit maakt de vordering te complex voor behandeling binnen de strafrechtelijke procedure. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, een deel van de schade mogelijk op de individuele ondernemingen kan worden verhaald en de rechtbank deze omstandigheid niet kan betrekken in de beoordeling van de vordering. Het behoort in de strafrechtelijke procedure tot schadevergoeding niet tot de mogelijkheden om in geval van medeschuld een derde partij in vrijwaring op te roepen als zij niet als verdachten in de strafzaak zijn betrokken.
Dit leidt tot de conclusie dat de [afkorting naam benadeelde] niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering en dat in deze procedure dus geen inhoudelijke beslissing op de vordering wordt genomen.
Dit betekent dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De rechtbank bepaalt dat de [afkorting naam benadeelde] en de verdachte ieder de eigen proceskosten betalen, omdat de [afkorting naam benadeelde] de vordering niet ten onrechte heeft ingesteld en er ook geen andere reden is waarom de [afkorting naam benadeelde] de kosten van de verdachten zou moeten vergoeden.
7.Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
8.Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart voor feit 1 de USB-stick onttrokken aan het verkeer;
- beveelt de teruggave van de telefoon en de administratie aan de verdachte;
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [afkorting naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feiten 1, 2 en 3); bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
9.Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.M. Riemens, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 januari 2026.
[ Afbeelding plattegrond indeling huis en voornaam verdachte ]
Jongens zouden bedrijfsgegevens naar mij sturen. Ik moest een nummer opslaan en alle gegevens naar dat nummer doorsturen. Dat bleek het nummer van [verdachte] te zijn.
Op 12 oktober 2021 heeft er een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden op het woonadres van verdachte [verdachte] . Hierbij is een USB-stick inbeslaggenomen die werd aangetroffen in de jaszak van een herenjas die in de gang van de woning aan de kapstok hing.
Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code [codenummer] ) kwam ik WhatsApp-communicatie tegen tussen [mailadres 1] (owner), zijnde [verdachte] , en [mailadres 2] Abi, zijnde [medeverdachte 1] . Ik merk op dat Abi in het Turks vriend of broeder betekent en dus niet de achternaam van het betreffende contact betreft. Op 14 oktober 2021 is [medeverdachte 1] in het onderzoek gehoord. De afspraak voor dit verhoor is telefonisch met hem gemaakt, via zijn telefoonnummer
Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code [codenummer] ) kwam ik WhatsApp-communicatie tegen tussen [mailadres 1] (owner), zijnde [verdachte] , en [mailadres 3] Abi, zijnde [medeverdachte 2] . Door genoemde ' [medeverdachte 2] abi' is op 5 december 2019 via WhatsApp fiscale correspondentie doorgestuurd aan [verdachte] . Deze correspondentie is geadresseerd aan: [medeverdachte 2] , [adres 3] , [postcode 3] [woonplaats 1] .
Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code [codenummer] ) kwam ik Whatsapp-communicatie tegen tussen [mailadres 1] (owner), zijnde [verdachte] , en [mailadres 4] Abi / [mailadres 5] Abi 2, gelet op de verstuurde adresgegevens zijnde: [medeverdachte 3] , [adres 4] , [postcode 4] in [woonplaats 2] .
Datum en tijd
[voornaam verdachte]
[medeverdachte 3] Abi 2
26-2-2020
Bel anders aub dan. lk geef je nu al mijn info
26-2-2020
[medeverdachte 3]
[geboortedatum 2] -1991
[nummer 1]
[adres 4] , [postcode 4] [woonplaats 2]
Bewijsmiddelen feit 1 (valsheid in geschrifte)
10. Schriftelijk stuk, [afkorting naam benadeelde] -rapportage [13]
Vanaf het IP-adres [IP-adres] zijn in totaal 121 TVL-aanvragen ingediend. Ter onderbouwing van de bij de aanvragen opgegeven omzetgegevens zijn valse documenten overgelegd die de bij de aanvragen opgegeven hoge omzetten onderbouwen.
Aanvragen met IP-adres [IP-adres]
[naam bedrijf 10]
[naam bedrijf 9] .
[naam bedrijf 13]
[naam bedrijf 7]
[naam bedrijf 8]
[naam bedrijf 12]
[naam bedrijf 1] .
[naam bedrijf 11] .
[naam bedrijf 3] .
[naam bedrijf 6]
[naam bedrijf 4]
[naam bedrijf 2] .
[naam bedrijf 5] .
De aanvraagformulieren zijn door de aanvragers naar waarheid ondertekend.
• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 581.258,10.
Valse aangifte OB
Ter onderbouwing is met bovengenoemde TVL aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [naam bedrijf 6] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals om de volgende redenen:
• Het aangiftenummer [aangiftenummer 1] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering "B027340" dienen "9300" te zijn.
• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam bedrijf 6] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van
Op de ingediende aanvraag van [naam bedrijf 4] las ik:
• dat [naam bedrijf 4] in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 722.189 zou hebben behaald.
Valse OB aangifte
De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen:
• Het aangiftenummer, vermeld op de aangifte OB (eindigend op "9270"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.
• De omzet, vermeld op de aangifte OB is € 722.189, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 39.717 was.
Op de ingediende aanvraag 3 van [naam bedrijf 5] . las ik:
• dat [naam bedrijf 5] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 2.594.187 zou hebben behaald.
Op de ingediende aanvraag 4 van [naam bedrijf 5] . las ik:
• dat [naam bedrijf 5] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 1.667.397 zou hebben behaald.
Valse OB aangifte
De aangiften OB die ter onderbouwing zijn meegestuurd met de TVL aanvragen, zijn vals, om de volgende redenen:
• De aangiftenummers, vermeld op de aangiften OB, kunnen geen bestaande aangiftenummers voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.
• De omzet, vermeld op de aangiften OB is velen malen hoger dan de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, te weten € 1.919.
Op de ingediende aanvraag van [naam bedrijf 11] . (waaronder de meegestuurde aangifte OB 4e kwartaal 2019) las ik:
• dat [naam bedrijf 11] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 1.749.624 zou hebben behaald.
Valse OB-aangifte
De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen:
• Het aangiftenummer, vermeld op de aangifte OB (eindigend op "8440"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.
• De omzet, vermeld op de aangifte OB is € 1.749.624, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 159.057 was.
Voor [naam bedrijf 9] is op 15 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €2.616.248,15.
Valse aangifte OB
Om de hiervoor genoemde omzet van het vierde kwartaal 2019 te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [naam bedrijf 9] . lk zie op deze aangifte een bedrag staan van €2.616.248,-.
Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
Het aangiftenummer [aangiftenummer 2] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering B018440 dienen "9300" te zijn.
lk raadpleegde op 7 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat [naam bedrijf 9] over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van €11.337,- heeft aangegeven en geen €2.616.248,15.
Voor [naam bedrijf 10] is op 16 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €2.634.672,-.
Valse aangifte OB
Om de hiervoor genoemde omzet te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [naam bedrijf 10] . Ik zie op het afschrift ook een bedrag staan van € 2.634.672,-.
Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
Het aangiftenummer [aangiftenummer 2] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering B018440 dienen "9300" te zijn.
lk raadpleegde op 7 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat [naam bedrijf 10] over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 9.876,- heeft aangegeven en geen € 2.634.672,-.
Voor [naam bedrijf 8] is op 14 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €1.449.764,-.
Valse aangifte OB
Om de hiervoor genoemde omzet van het vierde kwartaal 2019 te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [naam bedrijf 8] . lk zie op deze aangifte ook een bedrag staan van €1.449.764,-.
Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
Het aangiftenummer [aangiftenummer 3] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering B016440 dienen "9300" te zijn.
lk raadpleegde op 13 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat [naam bedrijf 8] over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van €17.360,- heeft aangegeven en geen €1.449.764,-.
Omdat in de aanvraag de naam van de contactpersoon " [naam] " en het KvK-nummer
" [KvK-nummer] " is vermeld ga ik er vanuit dat [naam bedrijf 7] een handelsnaam van [naam] is.
In deze aanvraag las ik dat [naam] :
• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.249.357.
Valse aangifte OB
Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [naam bedrijf 7] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 0 vermeld en geen € 1.249.357.
• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.717.893.
Valse aangifte OB
Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [naam bedrijf 1] . van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
• Het aangiftenummer [aangiftenummer 4] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van codering "B019240" dienen "9300" te zijn.
• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam bedrijf 1] . een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 0 vermeld en geen € 1.717.893.
• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.247.477.
Valse aangifte OB
Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam
van [naam bedrijf 3] . van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:
• Het aangiftenummer [aangiftenummer 5] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van codering "B018340" dienen "9300" te zijn.
• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam bedrijf 3] . een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 27.067 vermeld en geen € 1.247.477.
[naam bedrijf 13]
21. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij [afkorting naam benadeelde] [24]
lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de [afkorting naam benadeelde] aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal.
Bijlage 2:
Naam OB aangifte
RSIN/BSN
Omzet 4e kwt 2019 voor [afkorting naam benadeelde]
Omzet 4w kwt 2019 belastingdienst
Uitgekeerde
voorschotten
door [afkorting naam benadeelde]
[naam bedrijf 12]
[nummer 2]
€ 2.868.246,00
Nihil aangifte
€ 72.000,00
[naam bedrijf 2] .
25. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij [afkorting naam benadeelde] [28]
Op de USB-stick trof ik een mapje aan met de naam: `Troep'. In dit mapje staan 253 items opgeslagen bestaande uit documenten in word- en pdf format. Veruit de meeste documenten hebben betrekking op het 4de kwartaal 2019.
lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de [afkorting naam benadeelde] aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal.
Tevens heb ik de aangiften BTW/OB die op de USB-stick zijn aangetroffen vergeleken met de aangiften zoals deze zijn meegestuurd bij de aanvraag voor de TVL en heb geconstateerd dat deze overeenkomen.
Documenteigenschappen
In de document eigenschappen van zowel de Word- als de PDF versies staat in alle gevallen [verdachte] vermeld als de auteur. Alle documenten hebben als 'datum gemaakt': 28-10-2020.
Bijlage 2:
Handelsnaam/naam eigenaar of AH
Omzet 4de kwt 2019 voor [afkorting naam benadeelde]
In de telefoon van [verdachte] is onderstaande WhatsApp-communicatie aangetroffen tussen [verdachte] en een contact genaamd ‘ [medeverdachte 2] abi’ ( [mailadres 3] abi):
Op 12 oktober 2021 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het woonadres van verdachte [verdachte] . Hierbij is een mobiele telefoon in beslag genomen ( [codenummer] ). Daarop zijn de volgende WhatsApp-berichten aangetroffen.
Gelet op de tussen de verdachten onderling verstuurde WhatsApp-berichten kunnen er
waarschijnlijk vanaf medio november 2020 TVL aanvragen ingediend worden voor het vierde kwartaal 2020.
Deze TVL verschilt kennelijk enigszins met de eerdere TVL regeling. Op 3 november 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 3] namelijk onder andere het volgende:
[medeverdachte 3] reageert daarop als volgt: "Heb net toevallig ook gelezen"en "Knalle met die by's".
Contact via WhatsApp tussen verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte 1]
(` [mailadres 2] Abi'):
Op 25 november 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] : " [voornaam verdachte] , kun je even kijken of eenmanszaak ook kan? Vorige periode kon het niet". Als blijkt dat het kan, reageert [medeverdachte 1] als volgt: " Super. Dan moeten we een geldtelmachine kopen”
Bewijsmiddelen feit 3 (gewoontewitwassen)
Zie onder feit 1 voor de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
34. DOC-001, p. 688 e.v.
34. AMB-047-01, p. 337
34. AMB-048-01, p. 341 e.v.
34. AMB-049-01, p. 350 e.v.
34. AMB-050-01, p. 360
34. AMB-051-01, p. 364
34. AMB-052-01, p. 370
34. AMB-053-01, p. 376
34. AMB-054-01, p. 380
34. AMB-055-01, p. 384
34. AMB-056-01, p. 389
34. DOC-112, p. 2 (niet doorgenummerd)
34. DOC-001, p. 692
34. DOC-028, p. 952
34. DOC-065, p. 1070
34. AMB-004-01, p. 1259 (persoonsdossier verdachte)
In totaal is € 106.030 van deze bankrekening van [naam bedrijf 5] . overgemaakt naar bankrekeningen van de verdachte [medeverdachte 1] dan wel zijn onderneming, [naam onderneming] .
Vanaf 25 november 2020, de dag dat de aanvragen TVL Q4 ingediend konden worden, zijn er door verdachte [verdachte] duizenden WhatsApp-berichten (waaronder ook berichten met DigiD gegevens, KVK nummers, bankrekeningnummers, inlogcodes, etc.) verstuurd aan en ontvangen van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Voetnoten
1.Daar waar in de beschuldiging en bewijsmiddelen de naam [medeverdachte 1] is vermeld, gaat het om de medeverdachte [medeverdachte 4] , wiens achternaam in 2024 is gewijzigd.
2.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 ‘CG/Landeck’
3.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het einddossier Kensington.
4.AMB-001-01, p. 44-45.
5.V-001-01, p. 1448.
6.KVI-004-01, p. 1485 (het persoonsdossier van de verdachte).
7.IBN-001-05, p. 1432 (het persoonsdossier van de verdachte).
8.Verklaring [medeverdachte 1] d.d. 19 december 2023 (zonder doorgenummerd paginanummer).
9.AMB-016-01, p. 87.
10.AMB-028-01, p. 106.
11.AMB-029-01, p. 188.
12.AMB-030-01, p. 240.
13.DOC-001, p. 688 e.v.
14.AMB-047-01, p. 337.
15.AMB-048-01, p. 341 e.v.
16.AMB-049-01, p. 350 e.v.
17.AMB-050-01, p. 360.
18.AMB-051-01, p. 364.
19.AMB-052-01, p. 370.
20.AMB-053-01, p. 376.
21.AMB-054-01, p. 380.
22.AMB-055-01, p. 384.
23.AMB-056-01, p. 389.
24.Pagina 2 van DOC-112 (zonder doorgenummerd paginanummer).
25.DOC-001, p. 692.
26.DOC-028, p. 952.
27.AMB-016-1, p. 88 en bijlage 2, p. 93.
28.DOC-065, p. 1069.
29.AMB-004-01, p. 1259 (het persoonsdossier van de verdachte).
30.AMB-016-01, p. 89.
31.AMB-016-01, p. 88 e.v. en bijlage 2, p. 92 e.v.