Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- mevrouw A. Sardjoemissier en de heer M. Barakzei, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- [naam], werkzaam Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het ontruimingsvonnis van 18 november 2025 uit te voeren. Verzoeker verscheen niet op de zitting, ondanks oproep en een bericht dat hij onderweg was. Schuldhulpverlening verklaarde dat verzoeker geen schuldentraject wil doorlopen en zijn schulden zelf wil oplossen.
Verweerster stelde dat de huur over januari 2026 niet was voldaan en dat verzoeker laconiek was over de huurachterstand. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidde tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker de lopende huurtermijnen zal voldoen.
Verzoeker ontvangt voldoende inkomen en toeslagen om de huur te betalen, maar heeft dit niet aangetoond. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker zich zal inspannen voor een schuldregeling, aangezien hij geen schuldentraject wil volgen. Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt de voorlopige voorziening afgewezen.
Verder verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject niet wordt opgestart of op korte termijn afgerond zal zijn. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De rechtbank sprak het vonnis uit op 28 januari 2026, gewezen door rechter W.Y. Hu.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.