ECLI:NL:RBROT:2026:1323

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600643:R-RK - NL:TZ:2600645:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.Y. Hu
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 284 lid 2 FwArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 287b FwArt. 287 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het ontruimingsvonnis van 18 november 2025 uit te voeren. Verzoeker verscheen niet op de zitting, ondanks oproep en een bericht dat hij onderweg was. Schuldhulpverlening verklaarde dat verzoeker geen schuldentraject wil doorlopen en zijn schulden zelf wil oplossen.

Verweerster stelde dat de huur over januari 2026 niet was voldaan en dat verzoeker laconiek was over de huurachterstand. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidde tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker de lopende huurtermijnen zal voldoen.

Verzoeker ontvangt voldoende inkomen en toeslagen om de huur te betalen, maar heeft dit niet aangetoond. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker zich zal inspannen voor een schuldregeling, aangezien hij geen schuldentraject wil volgen. Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt de voorlopige voorziening afgewezen.

Verder verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject niet wordt opgestart of op korte termijn afgerond zal zijn. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

De rechtbank sprak het vonnis uit op 28 januari 2026, gewezen door rechter W.Y. Hu.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 14 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.
Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • mevrouw A. Sardjoemissier en de heer M. Barakzei, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam], werkzaam Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij kort voor de zitting tweemaal heeft getracht telefonisch contact op te nemen met verzoeker. Verzoeker heeft zijn telefoon echter niet opgenomen. Verzoeker heeft kort voor de zitting een whatsappbericht aan schuldhulpverlening gestuurd met de mededeling dat hij de huur over januari 2026 heeft voldaan en onderweg is naar de rechtbank. Verzoeker is echter niet verschenen. Ter zitting heeft schuldhulpverlening een gespreksverslag overgelegd van een gesprek tussen schuldhulpverlening en verzoeker van 20 januari 2026. Daarin is vastgelegd dat verzoeker geen schuldentraject wil doorlopen bij schuldhulpverlening vanwege eerdere ervaringen. Ook in het laatste contact met verzoeker heeft hij benadrukt absoluut geen regeling te willen. Hij wil zijn schulden zelf oplossen.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huur over de maand januari 2026 is niet voldaan. De laatste huurbetaling dateert van
26 september 2025. Op 8 januari 2026 heeft een medewerker van verweerster met verzoeker gesproken. Verzoeker was zeer laconiek over de huurachterstand. Hij heeft aan de medewerker meegedeeld dat hij ergens in januari 2026 de huur over januari 2026 zou betalen, hetgeen niet is gebeurd. De betaling van vandaag waar verzoeker in zijn whatsappbericht melding van maakt, kan niet worden gecontroleerd, maar doet ook niet af aan het standpunt van verweerster. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het (ongedateerde) exploot heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 15 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 november 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt volgens het verzoekschrift een Participatiewetuitkering van € 1.300,61 per maand. Daarnaast ontvangt hij een bedrag van € 443,17 per maand aan huurtoeslag en € 129,17 per maand aan zorgtoeslag. Deze inkomsten zouden voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen van € 743,53 per maand te voldoen. Verzoeker heeft echter niet aangetoond dat hij de lopende huurtermijnen (tijdig) voldoet. De laatste huurbetaling heeft volgens opgave van verweerster plaatsgevonden in september 2025. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de verzochte voorziening niet toewijsbaar is. Het ontruimingsvonnis kan immers alleen worden opgeschort als de lopende huurverplichtingen gedurende die voorziening worden voldaan (artikel 287b jo. 305 lid 2 Fw). Bovendien moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker zich zal inspannen om een oplossing te vinden voor zijn problematische schuldensituatie. Hiervan is niet gebleken. Verzoeker heeft aan schuldhulpverlening aangegeven geen schuldentraject bij schuldhulpverlening te willen doorlopen, maar zelf zijn schulden op te willen lossen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet wordt opgestart, althans niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.