ECLI:NL:RBROT:2026:1324

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/10/700518 / HA ZA 25-442
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:755 BWArt. 24 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer onrechtmatig door niet-melding schade riolering bij CAR-verzekeraar

Tijdens een bouwproject in Waddinxveen legde VanderHelm riolering aan, die later beschadigd raakte na werkzaamheden van Kroon & De Koning. VanderHelm herstelde de schade op eigen kosten en stelde dat Kroon & De Koning de schade had moeten melden bij haar CAR-verzekeraar. De rechtbank oordeelde dat Kroon & De Koning inderdaad verplicht was de schade te melden, maar dit naliet, wat onrechtmatig was jegens VanderHelm.

De oorzaak van de schade kon in deze procedure niet worden vastgesteld, omdat Kroon & De Koning de stellingen over de oorzaak voldoende betwistte en VanderHelm geen bewijs leverde. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat Kroon & De Koning de schade had veroorzaakt, waardoor de vordering op basis van ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen.

VanderHelm stelde ook dat partijen een overeenkomst hadden gesloten over de melding van de schade, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs voor het bestaan van een dergelijke overeenkomst. De schadevergoeding wordt daarom in een schadestaatprocedure vastgesteld. Kroon & De Koning werd veroordeeld tot vergoeding van de schade en de proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Kroon & De Koning is onrechtmatig door niet tijdig schade aan riolering te melden bij haar CAR-verzekeraar en moet de schade vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/700518 / HA ZA 25-442
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
VANDERHELM PROJECTEN B.V.,
te Berkel en Rodenrijs,
eisende partij,
hierna te noemen: VanderHelm,
advocaat: mr. N.P.O. Ruysch,
tegen
KROON & DE KONING B.V.,
te Zwijndrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kroon & De Koning,
advocaat: mr. M.S. Houweling.

1.De zaak in het kort

Tijdens een bouwproject heeft VanderHelm riolering aangelegd. Na de uitvoering van latere werkzaamheden door onder anderen Kroon & De Koning is schade aan die riolering vastgesteld. VanderHelm heeft deze schade hersteld. Zij verwijt Kroon & De Koning dat deze de schade niet heeft gemeld bij haar CAR-verzekeraar. De rechtbank is van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden inderdaad van Kroon & De Koning mocht worden verwacht. Door de schade niet te melden heeft zij onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens VanderHelm gehandeld. De als gevolg hiervan geleden schade staat nog niet vast. Daarvoor worden partijen verwezen naar de schadestaatprocedure. Partijen zijn het ook niet eens over de oorzaak van de schade aan de riolering. Die oorzaak kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Voor bewijslevering door VanderHelm ziet de rechtbank geen grond.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 19 mei 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de brief van de rechtbank waarin is bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda;
- de akte overlegging productie van Kroon & De Koning;
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026;
- de spreekaantekeningen van de beide advocaten.
2.2.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Beide partijen zijn aannemingsbedrijven.
3.2.
Ten behoeve van de bouw van een nieuwe woonwijk in Waddinxveen heeft VanderHelm een aannemingsovereenkomst gesloten met Consortium Triangel Noord B.V. (hierna: CTN). In CTN werkt Kroon & De Koning samen met een derde partij.
3.3.
De overeenkomst tussen CTN en VanderHelm (hierna: overeenkomst I) betreft onder andere het aanleggen van zogenoemde bouwwegen en daaronder gelegen riolering.
3.4.
CTN en VanderHelm zijn overeengekomen dat laatstgenoemde zorgdraagt voor een CAR-verzekering voor het in overeenkomst I overeengekomen werk.
3.5.
VanderHelm heeft de in 3.3 bedoelde werkzaamheden in de eerste maanden van 2021 uitgevoerd. Op 30 april 2021 heeft een ‘bouwrijp maken’-opleveringsinspectie van de door VanderHelm aangelegde riolering plaatsgevonden (hierna: BRM-inspectie). Bij deze inspectie is geen beschadiging aan de riolering geconstateerd. Hierna heeft VanderHelm het werk opgeleverd aan CTN.
3.6.
Ook Kroon & De Koning was betrokken bij de bouw van deze woonwijk, eveneens op basis van een aannemingsovereenkomst met CTN.
3.7.
Op 21 juni 2021 is daarnaast tussen Kroon & De Koning als “aannemer” en VanderHelm als “opdrachtnemer” ten behoeve van het onderhavige project een overeenkomst van onderaanneming gesloten (hierna: overeenkomst II). Deze overeenkomst heeft betrekking op nader omschreven “grond-, riolerings- en bestratingswerkzaamheden.” De overeenkomst bepaalt dat Kroon & De Koning verplicht is een CAR-verzekering af te sluiten voor alle bij het werk betrokken partijen en dat deze polis de herstelkosten dekt van alle materiële schade aan het werk, onverschillig de oorzaak ervan.
3.8.
Voorafgaande aan de totstandkoming van overeenkomst II heeft Kroon & De Koning een memo opgesteld, gedateerd 2 juni 2021 en gericht aan VanderHelm. Daarin staat onder meer het volgende:
“De bouwwegen zijn, los van het reguliere vrachtverkeer, bestemd voor één op meerdere van de volgende functies:
  • Transport casco’s m.b.v. binnenladers
  • Hijsen casco’s m.b.v. rupskraan
  • Verrijden rupskraan tussen de diverse hijslokaties.
Ieder van deze functies is in bijgaande tekening met zijn eigen kleur en/of arcering aangegeven. Er zitten overlappen tussen de diverse gebieden!
Iedere functie stelt andere eisen aan de ondergrond.
[…]
Hijsen casco’s m.b.v. rupskraan
  • Hart bouwweg ligt zo veel als mogelijk op 7 m uit de voorgevel van de woningen
  • Bouwweg is 6m breed
  • Kraanopstelling is zo veel als mogelijk midden voor de te bouwen woning
  • […]
Verrijden rupskraan tussen de diverse hijslokaties
- Als de bouwwegen aan de vi[.]gerende eisen voldoen voor wegen bestemd voor vrachtvervoer EN 6m breed zijn, kan de rupskraan dit berijden.”
3.9.
Na de ‘bouwrijp’-oplevering van de door VanderHelm uitgevoerde werkzaamheden, heeft Kroon & De Koning ingevolge haar overeenkomst met CTN de woningen gebouwd. Ten behoeve daarvan is gebruik gemaakt van de bouwwegen, zowel door vrachtverkeer als door een rupskraan voor het verrichten van hijswerkzaamheden. In die periode heeft ook VanderHelm werkzaamheden op het bouwterrein uitgevoerd, waaronder de werkzaamheden die voortvloeiden uit de met Kroon & De Koning gesloten overeenkomst II.
3.10.
Op 2 juni 2022 heeft de ‘woonrijp maken’-opleveringsinspectie plaatsgevonden (hierna: de WRM-inspectie). Bij deze inspectie is schade aan de riolering geconstateerd.
3.11.
Op 30 augustus 2022 heeft VanderHelm over de geconstateerde schade overleg gevoerd met CTN. Namens CTN was bij dat overleg de heer [persoon A] aanwezig. Hij is tevens bestuurder van Kroon & De Koning.
3.12.
VanderHelm heeft de schade aan de riolering hersteld. De hiermee gemoeide kosten heeft zij voor haar rekening genomen.
3.13.
VanderHelm heeft vervolgens de wegen in de nieuwe woonwijk bestraat.
3.14.
VanderHelm heeft de schade gemeld bij haar CAR-verzekeraar. Deze heeft dekking geweigerd, omdat de schade aan de riolering is ontstaan in de periode tussen de bouwrijpfase en de woonrijpfase en in de polis een uitsluiting is opgenomen voor schade aan het geleverde werk die niet is ontstaan als gevolg van de uitgevoerde werkzaamheden.
3.15.
In juni 2023 heeft VanderHelm contact opgenomen met Kroon & De Koning om te overleggen over de vraag voor wiens rekening de hiervoor genoemde herstelkosten moeten komen. In dat kader is ook aan de orde gekomen dat de CAR-verzekeraar van VanderHelm dekking weigert. Kroon & De Koning heeft in dit overleg aan VanderHelm laten weten dat haar doorlopende CAR-verzekering evenmin dekking biedt.
3.16.
Kroon & De Koning is verzekerde onder een doorlopende CAR-verzekering. VanderHelm is geen verzekerde onder deze polis. De toepasselijke polisvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:
“SECTIE III – EIGENDOMMEN VAN DE OPDRACHTGEVER
24 Dekking
24.1
Omvang van de dekking
Deze verzekering dekt als een afzonderlijke verzekering tot maximaal het op het polisblad onder sectie III vermelde verzekerde bedrag schade aan, verlies of vernietiging van andere eigendommen van de opdrachtgever als gevolg van dan wel verband houdend met de uitvoering van het verzekerde werk. […]
De dekking onder deze sectie is ook van kracht indien geen wettelijke en/of contractuele aansprakelijkheid van één of meer van de verzekerde partijen aanwezig is of kan worden aangetoond.”

4.Het geschil

4.1.
VanderHelm vordert – samengevat – het volgende:
veroordeling van Kroon & De Koning tot nakoming van haar verbintenis om de schade in te dienen bij haar CAR-verzekeraar en om de uitgekeerde verzekeringspenningen uit te keren aan VanderHelm tot een bedrag van € 139.252,88;
veroordeling van Kroon & De Koning tot vergoeding van de kosten van herstelwerkzaamheden van € 139.252,88 in het geval haar CAR-verzekeraar geen dekking verleent;
subsidiair: een verklaring voor recht dat Kroon & De Koning ongerechtvaardigd is verrijkt en veroordeling van Kroon & De Koning om de schade van VanderHelm te vergoeden tot een bedrag van € 139.252,88;
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat Kroon & De Koning onrechtmatig jegens VanderHelm heeft gehandeld en veroordeling van Kroon & De Koning tot vergoeding van de schade tot een bedrag van € 139.252,88;
veroordeling van Kroon & De Koning in de proceskosten, vermeerderd met rente.
4.2.
Kroon & De Koning voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van VanderHelm in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
VanderHelm heeft met deze zaak de vraag voorgelegd of Kroon & De Koning verplicht was om de schade aan de riolering te melden bij haar CAR-verzekeraar en, zo ja, of zij die melding op deugdelijke wijze heeft gedaan. Als dat laatste niet is gebeurd, is de vraag wat daarvan de gevolgen behoren te zijn. In de tweede plaats is in deze zaak de vraag aan de orde gesteld door wie de schade aan de riolering is veroorzaakt. Voordat de rechtbank deze vragen behandelt, wijst zij op het volgende.
5.2.
Uit de stellingen van VanderHelm leidt de rechtbank af dat zij de herstelwerkzaamheden aan de riolering heeft verricht op aandringen van haar opdrachtgever onder overeenkomst I. Dat is CTN. VanderHelm meent dat zij niet verplicht was om deze herstelwerkzaamheden te verrichten, omdat zij de riolering en de daarboven gelegen bouwwegen conform bestek had aangelegd en opgeleverd en zij de schade aan de riolering niet heeft veroorzaakt. Bij die stand van zaken ligt in beginsel voor de hand dat de herstelwerkzaamheden gelden als meerwerk onder overeenkomst I. Denkbaar is dat VanderHelm in dat verband jegens CTN aanspraak kan maken op een vergoeding (vergelijk artikel 7:755 BW Pro). CTN is echter geen gedaagde in deze procedure. De rechtbank laat dit dus verder onbesproken.
5.3.
Mocht VanderHelm menen dat zij de herstelwerkzaamheden in opdracht van Kroon & De Koning heeft uitgevoerd, dan geldt dat zij een dergelijke opdracht niet aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd en dat haar vorderingen ook niet strekken tot betaling van een aannemingssom. De vorderingen zijn evenmin gebaseerd op mogelijke schending door Kroon & De Koning van haar verplichting onder overeenkomst II om ten behoeve van VanderHelm een CAR-verzekering af te sluiten. De rechtbank laat ook dit daarom buiten beschouwing (vergelijk artikel 24 Rv Pro).
Kroon & De Koning aansprakelijk wegens niet-tijdige melding schade bij verzekeraar
5.4.
VanderHelm stelt zich op het standpunt dat Kroon & De Koning naar maatstaven van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt in de omstandigheden van dit geval verplicht was om de schade aan de riolering te melden bij haar CAR-verzekeraar. Door dat niet te doen dan wel door die melding niet correct te doen, heeft Kroon & De Koning volgens VanderHelm onrechtmatig jegens haar gehandeld. Dit standpunt ligt ten grondslag aan de meer subsidiaire vordering van VanderHelm, zoals weergegeven in 4.1 onder D. Kroon & De Koning heeft dit betoog betwist. Volgens haar was zij niet verplicht om de schade bij haar CAR-verzekeraar te melden. Toen VanderHelm op een dergelijke melding aandrong, heeft Kroon & De Koning die melding alsnog gedaan, maar haar verzekeraar heeft dekking geweigerd.
5.5.
Om het standpunt van VanderHelm op waarde te kunnen schatten, is allereerst van belang dat het hier gaat om een omvangrijk bouwproject met opeenvolgende bouwfases, waarin verschillende aannemers werkzaamheden moesten verrichten en waarin de voortgang van het werk (in elk geval deels) afhankelijk was van de afronding van het werk in een voorafgaande fase. In de zogenoemde bouwrijp-fase heeft VanderHelm de bouwwegen en de daaronder gelegen riolering aangelegd. Vast staat dat bij de inspectie van die riolering (april 2021) na het aanleggen daarvan geen schade is geconstateerd en dat VanderHelm daarna haar werk uit de bouwrijp-fase aan haar opdrachtgever CTN heeft opgeleverd.
5.6.
Vast staat ook dat in de periode na deze oplevering tot in juni 2022 in elk geval Kroon & De Koning en VanderHelm werkzaamheden op het terrein hebben uitgevoerd. Kroon & De Koning heeft de huizen gebouwd. Daarvoor heeft zij met zwaar vrachtverkeer en met een 50 ton zware rupskraan gebruik gemaakt van de bouwwegen. VanderHelm heeft in deze periode op het terrein de werkzaamheden uitgevoerd die voortvloeiden uit overeenkomst II. Kroon & De Koning heeft onbetwist gesteld dat VanderHelm daarnaast vanaf april 2022 op het terrein ook – kennelijk in opdracht van CTN – werkzaamheden in de woonrijpfase heeft uitgevoerd (overeenkomst I). Verder staat vast dat bij de WRM-inspectie van de riolering in juni 2022 schade is geconstateerd. In geschil is wie deze schade heeft veroorzaakt. Deze schade is in augustus 2022 met onder anderen de bestuurder van Kroon & De Koning besproken. De kennis van deze bestuurder moet aan Kroon & De Koning worden toegerekend. Dat betekent dat Kroon & De Koning vanaf augustus 2022 geacht moet worden met de schade aan de riolering bekend te zijn. Hieraan doet niet af dat de bestuurder bij het overleg met VanderHelm aanwezig was als vertegenwoordiger van CTN.
5.7.
In deze omstandigheden lag het naar het oordeel van de rechtbank alleszins in de rede dat Kroon & De Koning de schade (toen al) zou melden bij haar CAR-verzekeraar. Het gaat hier immers om schade aan zaken die inmiddels eigendom waren geworden van haar opdrachtgever en waarvan het aannemelijk is dat die is ontstaan in een periode waarin Kroon & De Koning omvangrijke werkzaamheden op het betreffende bouwterrein heeft uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van zwaar materieel. Gelet hierop is op voorhand niet onaannemelijk dat de schade met de werkzaamheden van Kroon & De Koning op enigerlei wijze verband houdt. Hieraan doet niet af dat in dezelfde periode ook VanderHelm op het terrein werkzaamheden heeft verricht, die overigens voor een deel plaatsvonden in opdracht van Kroon & De Koning. In de gegeven omstandigheden behoorde Kroon & De Koning redelijkerwijs rekening te houden met de mogelijkheid dat de schade verband hield met de door haar of onder haar verantwoordelijkheid verrichte werkzaamheden. Melding van de schade bij haar CAR-verzekering lag daarom voor de hand.
5.8.
Van Kroon & De Koning mocht naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid in haar verhouding tot VanderHelm worden verwacht een dergelijke melding te doen. Dat is in het bijzonder zo omdat VanderHelm onbetwist heeft gesteld dat zij in het hiervoor bedoelde overleg met CTN, waarbij de bestuurder van Kroon & De Koning aanwezig was, onder druk is gezet om de schade snel te herstellen om zo de voortgang van het bouwproject niet in gevaar te brengen. VanderHelm heeft die herstelwerkzaamheden ook daadwerkelijk verricht en gefinancierd, terwijl in de hiervoor geschetste omstandigheden niet zonder meer aangenomen kan worden dat zij tot dat herstel gehouden was.
5.9.
Vast staat dat Kroon & De Koning van de schade destijds geen melding heeft gedaan bij haar CAR-verzekeraar. Daardoor heeft zij zich de gerechtvaardigde belangen van VanderHelm onvoldoende aangetrokken. Dit geldt in beginsel als onrechtmatig handelen jegens VanderHelm. In deze normschending ligt besloten dat het beroep van Kroon & De Koning op schending door VanderHelm van haar klachtplicht niet opgaat.
5.10.
Kroon & De Koning heeft gesteld dat zij op een later moment (medio 2023) wel is nagegaan of de schade gedekt was onder haar CAR-verzekering, maar dat zij van haar “verzekeringsafdeling” heeft begrepen dat dit niet het geval was omdat VanderHelm niet als “nevenaannemer” op de polis van Kroon & De Koning was meeverzekerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kroon & De Koning hiermee haar aanvankelijke omissie (het niet melden van de schade, hoewel dat in de gegeven omstandigheden van haar mocht worden verwacht) niet hersteld. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat van Kroon & De Koning mocht worden verwacht een serieuze schademelding te doen. Dat blijkt ook uit de door Kroon & De Koning zelf aangehaalde polisvoorwaarde dat een schademelding moet plaatsvinden “onder vermelding van de volledige bijzonderheden en een zo volledig mogelijke omschrijving van de aard, de oorzaak en de toedracht van de schade.” Een dergelijke melding heeft Kroon & De Koning niet (alsnog) gedaan. De stelling van Kroon & De Koning dat VanderHelm haar de verschillende rapporten niet had toegestuurd, ontsloeg Kroon & De Koning niet van de verplichting om die melding te doen. De enkele toets of VanderHelm meeverzekerd is op de polis van Kroon & De Koning kwalificeert niet als een deugdelijke schademelding. Bovendien blijkt uit de stellingen van Kroon & De Koning niet dat onderzocht is of op grond van artikel 24 van Pro die polis dekking bestond (zie 3.16).
5.11.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Kroon & De Koning onrechtmatig jegens VanderHelm heeft gehandeld door de schade aan de riolering niet tijdig en deugdelijk te melden bij haar CAR-verzekeraar. Dit onrechtmatig handelen moet naar zijn aard aan Kroon & De Koning worden toegerekend. Zij is daarmee aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door VanderHelm geleden schade. De in dit verband gevraagde verklaring voor recht zal worden gegeven. De rechtbank verwerpt het standpunt van Kroon & De Koning dat VanderHelm op dit punt geen vordering heeft ingesteld. Uit de dagvaarding volgt voldoende kenbaar dat vordering D (zie 4.1) mede is gebaseerd op het hier beoordeelde standpunt van VanderHelm.
Begroting van eventuele schade moet in schadestaatprocedure plaatsvinden
5.12.
VanderHelm gaat er kennelijk vanuit dat als Kroon & De Koning de schademelding wel tijdig en correct had gedaan haar CAR-verzekeraar zonder meer zou zijn overgegaan tot vergoeding van de volledige herstelkosten en dat die uitkering aan VanderHelm zou zijn toegekomen. Die redenering schiet echter tekort. Om de schade te kunnen begroten moet een vergelijking worden gemaakt van de huidige situatie (waarin Kroon & De Koning ten onrechte geen schademelding heeft gedaan) met de hypothetische situatie zonder die fout. Niet zonder meer gegeven is dat de CAR-verzekeraar in dat geval tot uitkering zou zijn overgegaan. Aannemelijk is dat de verzekeraar in dat geval zou hebben onderzocht of er dekking is, wat de hoogte van de schade is en of enig schadebedrag aan Kroon & De Koning zou kunnen worden uitgekeerd. De (hypothetische) uitkomst van dit onderzoek staat niet op voorhand vast. Ook is niet zonder meer gegeven dat enigerlei verzekeringsuitkering in de hypothetische situatie zonder fout aan VanderHelm ten goede zou zijn gekomen. Mogelijk bestaat aanleiding de schade te begroten op basis van de verloren kans dat de verzekeraar tot uitkering zou zijn overgegaan. VanderHelm is hierop in het geheel niet ingegaan. Daarom kan de schade bij de huidige stand van zaken niet worden begroot.
5.13.
Wel acht de rechtbank de mogelijkheid van schade aannemelijk. Omdat het debat over de hoogte van de schade in feite nog in het geheel niet is gevoerd, zal de rechtbank partijen voor dat debat verwijzen naar de schadestaatprocedure. In die schadestaatprocedure kunnen alle aspecten die verband houden met het bestaan en de hoogte van de schade aan de orde komen. Dat geldt ook voor de vraag of van belang is of VanderHelm zelf in haar verhouding tot CTN heeft zorg gedragen voor een afdoende CAR-verzekering.
Geen overeenkomt tussen partijen tot stand gekomen
5.14.
Aan haar primaire vordering legt VanderHelm ten grondslag dat partijen mondeling een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan Kroon & De Koning zich zou hebben verbonden om de schade te melden bij haar CAR-verzekeraar. VanderHelm vordert nakoming van die verplichting van Kroon & De Koning en veroordeling van Kroon & De Koning tot uitbetaling van de verzekeringspenningen die Kroon & De Koning in de visie van VanderHelm na die melding zal ontvangen. Kroon & De Koning heeft bestreden dat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen.
5.15.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft VanderHelm onvoldoende concrete feiten gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat de door haar gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. De feiten in de dagvaarding zijn weinig concreet. VanderHelm spreekt van “afspraken” en “evidente partijbedoelingen” zonder die stellingen op enigerlei wijze te onderbouwen of te concretiseren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij dit gebrek aan feitelijke onderbouwing niet hersteld, hoewel de rechtbank hierover expliciet een vraag had gesteld in de zittingsagenda.
5.16.
De conclusie is dat van een overeenkomst tussen partijen op dit punt geen sprake is. De vordering komt dus niet voor toewijzing in aanmerking voor zover deze op die overeenkomst is gebaseerd. Dit geldt voor vorderingen A en B (zie 4.1).
Kroon & De Koning niet ongerechtvaardigde verrijkt
5.17.
De subsidiaire grondslag van de vordering (4.1 onder C) is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Het betoog van VanderHelm in dat verband komt op het volgende neer. De schade aan de riolering is veroorzaakt door de werkzaamheden van Kroon & De Koning. Zij heeft op de door VanderHelm aangelegde bouwwegen hijswerkzaamheden verricht waarbij zij gebruikt heeft gemaakt van een, tijdens de hijswerkzaamheden stilstaande, zeer zware kraan. De bouwwegen behoefden tegen de daardoor uitgeoefende druk op de ondergrond niet bestand te zijn. Als gevolg van die druk op de ondergrond is de riolering beschadigd. Kroon & De Koning heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens de eigenaar van die riolering (CTN) en behoorde op die grond de herstelkosten voor haar rekening te nemen. Zij heeft die herstelkosten echter bespaard, omdat VanderHelm de schade onverplicht heeft hersteld. Kroon & De Koning is dus verrijkt, VanderHelm is verarmd en voor de verrijking van Kroon & De Koning bestaat geen rechtvaardigingsgrond. VanderHelm heeft haar stellingen over de oorzaak van de schade onderbouwd met een rapport van het bureau Geoconsult.
5.18.
Kroon & De Koning heeft de stellingen van VanderHelm over de oorzaak van de schade bestreden. Ter onderbouwing daarvan heeft Kroon & De Koning zich onder andere beroepen op een rapport van het bureau Crux. In dat rapport wordt onder meer aangevoerd dat de belasting door de rupskraan tijdens hijswerkzaamheden binnen de voor de bouwwegen geldende NEN-norm blijft. Ook heeft Kroon & De Koning onderbouwd aangevoerd dat op sommige schadelocaties de rupskraan helemaal niet is geweest, zodat niet aannemelijk is dat juist de extra belasting door de rupskraan de schade heeft veroorzaakt.
5.19.
Hiermee heeft Kroon & De Koning de stellingen van VanderHelm over de oorzaak van de schade voldoende gemotiveerd betwist. Dat Kroon & De Koning die schade heeft veroorzaakt staat dus niet vast. Het is daarmee in beginsel aan VanderHelm om bewijs te leveren van haar stelling dat Kroon & De Koning de schade heeft veroorzaakt. Aan bewijslevering komt de rechtbank echter niet toe. Dit licht de rechtbank als volgt toe.
5.20.
In de zittingsagenda heeft de rechtbank de vraag opgeworpen hoe de oorzaak van de schade kan worden vastgesteld. VanderHelm heeft die vraag tijdens de mondelinge behandeling niet beantwoord. In haar pleitaantekeningen, ook waar zij stelt te reageren op de zojuist genoemde vraag, gaat VanderHelm uitsluitend in op de vraag of Kroon & De Koning de schade behoorde te melden bij haar CAR-verzekering en of die verzekering dekking behoort te verlenen. Volgens VanderHelm is dit de kern van de zaak en dus niet de vraag wie de schade aan de riolering heeft veroorzaakt. Het in de dagvaarding opgenomen bewijsaanbod is daarnaast weinig specifiek. VanderHelm biedt getuigenbewijs aan, maar de rechtbank ziet niet in van welke feiten ten aanzien van de oorzaak van de schade door middel van het horen van getuigen bewijs geleverd kan worden. Voor het gelasten van bewijslevering ziet de rechtbank geen aanleiding.
5.21.
De conclusie hiervan moet zijn dat niet is komen vast te staan dat Kroon & De Koning die schade heeft veroorzaakt. Of Kroon & De Koning al dan niet zorgvuldig heeft gewerkt bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is dus niet van belang. Daarom speelt ook het door VanderHelm aangehaalde
Afzinkkelder-arrest hier geen rol. [1] Van een verrijking door Kroon & De Koning in de vorm van de bespaarde herstelkosten is dan ook geen sprake. De hierop gebaseerde vordering is niet toewijsbaar. Dit brengt ook mee dat het debat van partijen over de betekenis van de memo van 2 juni 2021 (zie 3.8) voor de aan de (toen al) gerealiseerde bouwwegen te stellen vereisten in het midden kan blijven.
De proceskosten
5.22.
Kroon & De Koning geldt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, omdat in dit vonnis wordt vastgesteld dat zij jegens VanderHelm schadeplichtig is. Zij moet daarom de proceskosten van VanderHelm vergoeden. In dat kader wordt het advocatensalaris begroot aan de hand van het tarief dat geldt voor vordering van onbepaalde waarde, omdat op dit moment nog ongewis is of en tot welk bedrag VanderHelm schade heeft geleden.
5.23.
Per saldo worden de proceskosten begroot als volgt:
- griffierecht € 6.861,00
- explootkosten € 144,47
- advocaatsalaris € 1.306,00 (tarief II, 2 punten)
- nakosten
€ 189,00(hier kan nog een bedrag bij komen)
TOTAAL € 8.500,47
Hierover is wettelijke rente verschuldigd.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat Kroon & De Koning onrechtmatig jegens VanderHelm heeft gehandeld door de schade aan de riolering niet te melden bij haar CAR-verzekering en veroordeelt Kroon & De Koning tot vergoeding van de als gevolg hiervan geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
6.2.
veroordeelt Kroon & De Koning in de proceskosten van VanderHelm, begroot op € 8.500,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kroon & De Koning niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
[1980/3669]

Voetnoten

1.HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17