ECLI:NL:RBROT:2026:1326

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600617:R-RK - NL:TZ:2600625:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.Y. Hu
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij dreigende ontruiming huurwoning

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 11 november 2025 en stond gepland voor 22 januari 2026.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming dreigt plaats te vinden. Verzoekster is gestart met schuldhulpverlening en heeft een inkomen dat voldoende is om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur voor december 2025 en januari 2026 is betaald en er is budgetbeheer ingesteld.

Verweerster, de verhuurder, heeft geen bezwaar tegen de toewijzing van het verzoek, mits de huur tijdig wordt voldaan. De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en haar schulden wil saneren, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 13 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.
Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw D. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster);
Schuldhulpverlening heeft, zoals ter zitting afgesproken, de rechtbank nadere stukken doen toekomen, met afschrift daarvan aan verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. De schuldhulpverlening is gestart en budgetbeheer is ingesteld sinds 13 december 2025. Verzoekster werkt via het uitzendbureau Zorgwerk en verricht in dat kader nachtdiensten bij diverse verzorgingstehuizen. Daarmee verdient zij voldoende om de lopende huurtermijnen te betalen. Verzoekster heeft betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor de maanden december 2025 en januari 2026 is betaald.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek, voor zover verzoekster daadwerkelijk gaat starten met het schuldhulpverleningstraject en de huur tijdig en volledig voldoet.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 8 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 november 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft zich aangemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening en er is een begin gemaakt met het in kaart brengen van haar schuldenlast. Verzoekster heeft werk en heeft daaruit een inkomen van totaal € 2.774,83 per maand. Dit is voldoende om de lopende huurtermijnen van € 833,72 per maand te voldoen. De huur van december 2025 en januari 2026 is betaald. Bovendien is sinds 13 december 2025 budgetbeheer ingesteld waarmee de betaling van de lopende huurtermijnen wordt gewaarborgd. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 november 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 14 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.Y. Hu, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.