ECLI:NL:RBROT:2026:1342

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1568 en FT RK 25/1569
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord en informele ontheffing in schuldsaneringsprocedure

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij een percentage van circa 10% aan preferente en 5% aan concurrente schuldeisers wordt betaald. Acht van de negen schuldeisers stemden in, één schuldeiser weigerde vanwege een grote vordering en vermeende onjuiste financiële informatie.

De rechtbank beoordeelde dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is, mede gelet op de ontheffing van de sollicitatieplicht van verzoekster wegens een paniek- en angststoornis. De regeling is gebaseerd op een stabiele situatie en biedt een beter resultaat voor schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.

De rechtbank concludeert dat de belangen van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigeraar. Daarom wordt de schuldeiser bevolen in te stemmen met het akkoord, het dwangakkoord wordt toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de schuldeiser in te stemmen met het dwangakkoord en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 28 januari 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 2 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [naam] (hierna: [naam]);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[naam] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 14 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw D. Schruijer, werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw N. Heerik, werkzaam bij Perspectief Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift negen schuldeisers, waarbij de Belastingdienst zowel een preferente als een concurrente vordering heeft. Daarnaast is er nog één preferente schuldeiser en zijn er zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 56.075,92 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 7 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,26% aan de preferente schuldeisers en 5,13% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Uit de 285-verklaring bij het verzoekschrift van 7 augustus 2025 blijkt dat het percentage op dat moment 10,95% voor de preferente schuldeisers bedraagt en 5,47% voor de concurrente schuldeisers.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing voor de sollicitatieplicht overgelegd voor de periode 8 januari 2026 tot en met
7 januari 2027. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de uitkeringsinstantie niet makkelijk schriftelijke ontheffingen geeft. Wel is vaak sprake van informele ontheffingen waarbij wordt afgesproken dat men met rust wordt gelaten en na een half jaar weer wordt opgeroepen voor een gesprek om te kijken hoe het er dan voor staat. Hier was ook sprake van bij verzoekster in de periode vanaf aanvang minnelijke regeling tot 8 januari 2026. Schuldhulpverlening heeft vervolgens alles in het werk gezet om toch vanaf die datum een schriftelijke ontheffing te krijgen. Verzoekster heeft zelf verklaard dat zij na 2022 is ingestort en tot op heden thuis zit met een paniek- en angststoornis.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster staat sinds 18 augustus 2023 onder beschermingsbewind en zij heeft sindsdien zuinig geleefd zodat zij bij aanvang van het minnelijk traject een spaarsaldo had om in te leggen voor de gezamenlijke schuldeisers. Verzoekster heeft voorts sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Acht schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van geschat € 22.000,00 op verzoekster, welke 39,23% van de totale schuldenlast beloopt.
Verzoekster is ter zitting ingegaan op het verweer van [naam]. Verzoekster heeft verklaard dat zij in overleg met [naam] het rookhok heeft omgebouwd tot een darthok en dat zij daar tijdens de coronasluitingen afhaalmaaltijden verzorgde. [naam] was hiervan op de hoogte, zij was immers zelf ook zo nu en dan aanwezig in het darthok. Verzoekster verdiende met de afhaalmaaltijden minimaal, enkel genoeg om de boodschappen te kunnen doen. Daarnaast was de vakantie naar Mexico volledig bekostigd door een vriendin. De beschermingsbewindvoerder heeft hierover verklaard dat zij op de bankafschriften van die tijd inderdaad geen afschrijvingen heeft gezien voor een vakantie naar Mexico. Nu [naam] geen saldo-opgave heeft ingediend, is het voor verzoekster overigens ook niet duidelijk of de hoogte van de vordering juist is opgenomen, aangezien [naam] verzoekster ook tijdelijk had vrijgesteld van huurbetalingen.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft [naam] zich op het standpunt gesteld dat toewijzing van het dwangakkoord onredelijk zou zijn. [naam] heeft verzoekster tijdens de eerste coronasluiting volledig vrijgesteld van huurbetaling om haar te helpen, terwijl [naam] zelf geen inkomsten meer had. Later bleek dat verzoekster in die periode haar bedrijfsactiviteiten had voortgezet in het rookhok van het pand, terwijl zij aan [naam] meldde dat ze geen inkomsten had. Kort na de eerste coronasluiting is verzoekster op vakantie gegaan naar Mexico. Dit heeft bij [naam] de indruk gewekt dat de financiële situatie van verzoekster anders was dan zij voor had doen komen.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 39,23%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk acht van de negen schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is door de uitkeringsinstantie ontheven van haar sollicitatieplicht voor de periode 8 januari 2026 t/m 7 januari 2027. De rechtbank acht het aannemelijk dat verzoekster ook in de periode hiervoor (vanaf aanvang minnelijk traject) niet in staat was om aan de inspanningsplicht te voldoen. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat verzoekster al geruime tijd een paniek- en angststoornis had. Schuldhulpverlening heeft hierover verklaard dat verzoekster ook in de periode voorafgaand aan de schriftelijke ontheffing, een informele ontheffing had. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster ook in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [naam] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [naam] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.