3.2.De (terug)verhuizing en de hoofdverblijfplaats
3.2.1.De vrouw is bij het einde van de affectieve relatie tussen partijen met de minderjarige – toen zij ongeveer een half jaar oud was –, uit de woning van partijen in [plaatsnaam 1] vertrokken naar [plaatsnaam 2] . De vrouw zou daar tijdelijk bij haar moeder verblijven en de man heeft daar in eerste instantie geen bezwaar tegen geuit. De vrouw wil zich nu definitief in [plaatsnaam 2] vestigen.
3.2.2.Voor zover de vrouw aanvoert dat zij al toestemming had en zij geen (vervangende) toestemming nodig heeft, merkt de rechtbank op dat niet gebleken is dat de man toestemming heeft gegeven voor zo’n verhuizing. De verplaatsing naar [plaatsnaam 2] betreft een gezagsbeslissing die gevolgen heeft voor de toekomst van de minderjarige en haar contact met haar ouders. De man verzet zich tegen de verhuizing van de minderjarige.
3.2.3.De vraag of de vrouw zich mag vestigen in [plaatsnaam 2] of dat zij met de minderjarige moet terugverhuizen naar (de omgeving van) [plaatsnaam 1] zoals de man heeft verzocht, moet door de rechtbank aan de hand van het volgende juridisch kader worden beantwoord.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag over de (terug)verhuizing staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar moet de rechter naar vaste rechtspraak bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.
3.2.4.Tegenover het belang van een ouder om de gelegenheid te krijgen met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
- de noodzaak om te verhuizen;
- een goede voorbereiding van de verhuizing;
- het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.
3.2.5.Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen als de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
3.2.6.De vrouw heeft aangevoerd dat zij in [plaatsnaam 2] wil wonen, omdat zij daar een ondersteunend netwerk heeft van familie en vrienden. De vrouw zegt met [plaatsnaam 1] en omgeving geen binding te hebben. Daarnaast staat de vrouw al enige tijd bij de woningbouwvereniging in [plaatsnaam 2] ingeschreven, zodat het waarschijnlijker is dat zij daar op korte termijn een sociale huurwoning verkrijgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de noodzaak om naar [plaatsnaam 2] te verhuizen hiermee onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft de afgelopen jaren in (de omgeving van) [plaatsnaam 1] gewoond en gewerkt. Dat zij onder de huidige omstandigheden – na het beëindigen van de relatie met de man – liever in [plaatsnaam 2] woont, is een begrijpelijke wens, maar maakt nog niet dat sprake is van een noodzaak om naar daar te verhuizen. Daar komt bij dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat zij de mogelijkheden om in (de omgeving van) [plaatsnaam 1] te (blijven) wonen nooit heeft onderzocht. De man heeft bovendien aangeboden zijn eigen woning tijdelijk en tegen een vergoeding aan de vrouw ter beschikking te stellen, in afwachting van een andere woning. Als het de vrouw niet lukt een andere woning te vinden, dan is de vader van de man bereid een passende woning te kopen die de vrouw kan gaan huren, aldus de man. Ook zegt de man via zijn werk mensen te kennen die woningen verhuren, zodat hij op die manier de vrouw zou kunnen helpen met het verkrijgen van een woning. Al het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen naar [plaatsnaam 2] niet is komen vast te staan.
3.2.7.Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de verhuizing naar [plaatsnaam 2] door de vrouw niet goed voorbereid. De vrouw is in de zomer van 2025 vertrokken naar [plaatsnaam 2] en sindsdien verblijft zij noodgedwongen bij haar moeder. Zij heeft nog geen concreet zicht op een eigen woning.
3.2.8.Voor de verdeling van de zorgtaken heeft een verhuizing naar [plaatsnaam 2] naar het oordeel van de rechtbank te grote gevolgen. In de huidige levensfase van de minderjarige – zij is net één jaar oud – is frequent fysiek contact met beide ouders belangrijk voor de hechting. De raad benoemde tijdens de mondelinge behandeling een wenselijke frequentie van vier keer per week. De reistijd van [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] (met de auto minimaal anderhalf uur per enkele reis) maakt dat in feite onmogelijk. Ook de raad heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling haar zorgen naar voren bracht. Dat geldt niet alleen voor partijen, maar vooral voor de minderjarige die daardoor veel moet reizen. Dat de vrouw aangeeft dat zij bereid is mee te denken met en tegemoet te komen aan de man, maakt dit niet anders. Aan de reistijd kan zij immers niets veranderen. De rechtbank acht in dit kader ook relevant dat de man een sterke wens heeft geuit om de zorgtaken gelijkwaardig te verdelen. Dat is zeker in de toekomst, als de minderjarige naar school gaat, vrijwel onmogelijk als de vrouw in de omgeving van [plaatsnaam 2] blijft wonen.
3.2.9.De rechtbank is kortom van oordeel dat het belang van de minderjarige om op te groeien in nabijheid van haar beide ouders, prevaleert boven de wens van de vrouw om in [plaatsnaam 2] te gaan wonen. Aan de vrouw wordt daarom geen vervangende toestemming gegeven om met de minderjarige naar [plaatsnaam 2] te verhuizen. Het verzoek van de man om de vrouw te bevelen te verhuizen naar een woning in de buurt van zijn woning in [plaatsnaam 1] , wordt toegewezen. De straal waarbinnen die woning of dat appartement moet zijn gelegen, bepaalt de rechtbank op 15 kilometer. Dat is volgens de advocaat van de man, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, de maximale afstand waarbinnen partijen op gelijke voet invulling kunnen geven aan het ouderschap. De vrouw heeft hiertegen geen specifiek verweer gevoerd. De termijn waarbinnen de vrouw dient te verhuizen bepaalt de rechtbank op drie maanden na de datum van deze beschikking. De rechtbank wijst de vrouw erop dat het haar vrij staat om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheden die de man heeft aangeboden om een passende woonruimte te vinden.
3.2.10.Tijdens de mondelinge behandeling is namens de man verklaard dat zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw, zonder zijn toestemming, wordt verboden te verhuizen naar een andere woonplaats buiten bovengenoemde straal (primair onder IV.), komt te vervallen als het bevel tot (terug)verhuizing wordt toegewezen. Nu dit laatste het geval is, wordt aan behandeling van genoemd verzoek niet toegekomen.
3.2.11.De man heeft geen bezwaar tegen het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw als zij (terug)verhuist naar (de omgeving van) [plaatsnaam 1] . Omdat het daarop gerichte verzoek van de man wordt toegewezen, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw bepalen vanaf het moment dat zij woont binnen een straal van 15 kilometer van de woning van de man. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Dit betekent dus dat als de vrouw terugverhuist binnen de genoemde afstand van de woning van de man, de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De rechtbank zal het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man bepalen voor het geval de vrouw niet binnen drie maanden na de datum van deze beschikking met de minderjarige terugverhuist.
3.2.12.De rechtbank ziet geen belang bij het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de minderjarige op haar adres wordt ingeschreven in de BRP. De vrouw heeft dit verzoek niet gemotiveerd en er is geen aanleiding te veronderstellen dat de man – indien dit door de gemeente wordt vereist – aan de inschrijving niet zal meewerken. Dit deel van het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Ook de man heeft geen belang bij zijn verzoek om inschrijving van de minderjarige op zijn adres, omdat zij daar op dit moment al ingeschreven staat.
3.2.13.Wat betreft de door de man verzochte dwangsom merkt de rechtbank het volgende op. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij er in dat geval alles aan zal doen om bij de minderjarige in de buurt te komen wonen. Het opleggen van een dwangsom aan de vrouw acht de rechtbank dan ook niet nodig.