ECLI:NL:RBROT:2026:1359

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
ROT 24/8989
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 3 TransportverordeningArt. 8 TransportverordeningArt. 2.3 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vervoer van drie niet-transportwaardige drachtige runderen over lange afstand bevestigd

Eiseres werd door verweerder een bestuurlijke boete van €3.000 opgelegd wegens het vervoeren van drie runderen die niet geschikt waren voor transport omdat zij voor 90% of meer drachtig waren. De overtreding vond plaats op 11 juli 2023 en betrof een vervoer over een afstand van meer dan 100 kilometer.

Verweerder baseerde de boete op artikel 6.2 van de Wet dieren en bijbehorende regelgeving, waarbij het standaardbedrag van €1.500 werd verdubbeld vanwege de ernst van de overtreding en het aantal dieren. Eiseres betwistte de verdubbeling van de boete en voerde aan dat de ernst van de overtreding niet kwantitatief, maar kwalitatief beoordeeld moet worden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de boete verdubbelde omdat de overtreding ernstige gevolgen had voor het dierenwelzijn. Ook werd het beroep op termijnoverschrijding verworpen omdat de procedure binnen de vastgestelde termijnen verliep. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de boete in stand bleef en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €3.000 voor het vervoeren van drie niet-transportwaardige drachtige runderen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8989

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: [persoon A] ),
en
[verweerder], voorheen de [voormalige naam verweerder] , verweerder,
(gemachtigde: mr. F. Peters van Nijenhof.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 19 augustus 2024 (het bestreden besluit) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit van 26 april 2024 ongegrond heeft verklaard. Bij het boetebesluit heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 3.000,- vanwege overtreding van bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. Op 25 oktober 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgesteld naar aanleiding van een analyse over het vervoer van runderen met een draagtijd van 90% of meer, over een afstand van 50 kilometer of meer. Op basis daarvan heeft verweerder aan eiseres de boete opgelegd en deze bij het bestreden besluit gehandhaafd.
2.1.
In het rapport heeft de toezichthouder, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:
“Bevindingen
Op 4 september 2023 ontving ik, toezichthouder [persoon B] , een overzicht van drie
runderen waarvan middels een selectie uit het Identificatie en Registratie systeem
(I&R systeem) was vastgesteld dat de runderen in de laatste 10% van de dracht
ter vervoer was afgestaan naar een ander bedrijf.
Ik, toezichthouder [persoon B] , zag in dit overzicht dat:
Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer X] ;
• dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 2] ;
• dit rund was afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort
aan [eiseres] ;
• de afstand tussen de bedrijven 215 kilometer was;
• dit rund op 25 juli 2023 heeft gekalfd;
• dit rund op 04 oktober 2022 is geïnsemineerd;
• er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 14 dagen zaten;
• het rund op de dag van afvoer 280 dagen drachtig was, wat overeenkomt met
een dracht van 100% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen).
Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer Z] ;
• dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 3] ;
• dit rund was afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort
aan [eiseres] ;
• de afstand tussen de bedrijven 225 kilometer was;
• dit rund op 30 juli 2023 heeft gekalfd;
• dit rund op 26 oktober 2022 is geïnsemineerd;
• er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 19 dagen zaten;
• het rund op de dag van afvoer 258 dagen drachtig was, wat overeenkomt met
een dracht van 92,14% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen).
Het een rund betrof met levensnummer NL [nummer A] ;
• dit rund op 11 juli 2023 was afgevoerd naar een bedrijf in [plaats 3] ;
• dit rund is afgevoerd van het bedrijf met UBN [nummer Y] , welke toebehoort
aan [eiseres] ;
• de afstand tussen deze bedrijven is 225 kilometer;
• dit rund op 24 juli 2023 heeft gekalfd;
• dit rund op 07 oktober 2022 is geïnsemineerd;
• er tussen de afvoerdatum en het moment van afkalven 13 dagen zaten;
• het rund op de dag van afvoer 277 dagen drachtig was, wat overeenkomt met
een dracht van 98,93% (de gemiddelde draagtijd van runderen is 280 dagen).”
3. Op grond van het rapport van bevindingen van 25 oktober 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De houder op de plaats van vertrek liet op 11 juli 2023 drie runderen vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat het drachtige dieren betrof, waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd was.”
Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder c, van de Transportverordening [1] .
Verweerder heeft eiser daarvoor een boete opgelegd van € 3.000,-. Omdat eiseres drie
niet transportwaardige dieren heeft vervoerd, zijn de gevolgen voor het
dierenwelzijn volgens verweerder zodanig ernstig dat verweerder de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onderdeel b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft verdubbeld (van € 1.500,- naar € 3.000,-).

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser het beboetbare feit heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht een boete heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Eiseres bestrijdt niet dat zij de vermeende overtreding heeft begaan. Eiseres betoogt dat verweerder de boete ten onrechte heeft verdubbeld. De toelichting op artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren rechtvaardigt de verdubbeling van de boete niet. Volgens eiseres gaat het niet om een artikel dat leidt tot verdubbeling op grond van kwantitatieve motieven, maar op grond van kwalitatieve motieven. De ernst van de gevolgen of de risico’s zien op een beoordeling van de overtreding, en niet op het aantal dieren zoals in deze situatie wel is gebeurd, aldus eiseres.
6.1.
Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan, was verweerder bevoegd daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Omdat de risico’s of de gevolgen van de overtreding voor het dierenwelzijn volgens verweerder ernstig zijn, is de boete met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verdubbeld.
7. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat de termijn van zeven maanden tussen het moment van de constatering van de overtreding en de aanzegging van de boete is overschreden en dat deze overschrijding tot matiging van de boete dient te leiden.
7.1.
De rechtbank is ermee bekend dat verweerder thans een vaste gedragslijn hanteert die inhoudt dat hij boetes matigt in de volgende gevallen:
1. de termijn tussen het afronden van het onderzoek en het op de hoogte stellen van de overtreder van de bevindingen van dat onderzoek is langer dan 24 weken;
2. de termijn tussen de (definitieve) dagtekening van het rapport van bevindingen en het nemen van een boetebesluit is langer dan 37 weken.
(Werkinstructie matiging langdurige processen, BJZ-TBM-036, versie 7, ingangsdatum
14 juli 2025)
7.2.
Uit het rapport van bevindingen van 25 oktober 2023 blijkt de toezichthouder op
4 september 2023 een overzicht van drie runderen heeft ontvangen waarvan middels een selectie uit het Identificatie en Registratie systeem was vastgesteld dat de runderen in de laatste 10% van de dracht ter vervoer waren afgestaan aan een ander bedrijf. Aan de hand van dit overzicht heeft de toezichthouder vastgesteld dat eiseres op 11 juli 2023 drie runderen had laten vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat het drachtige dieren betrof, waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd was. Vervolgens is [eiseres] op 25 september 2023 een boeterapport aangezegd en is medegedeeld dat op basis van dit rapport een bestuurlijke boete aan eiseres kan worden opgelegd. Op 26 april 2024 heeft verweerder vervolgens het boetebesluit genomen. Gelet hierop is geen sprake van een overschrijding van de hiervoor bedoelde termijnen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de boete in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG.