De rechtbank Rotterdam heeft op 9 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die samen met anderen betrokken was bij de invoer van 152 kilogram cocaïne in Nederland. De cocaïne was verstopt in boomstammen in een zeecontainer die vanuit Brazilië was aangevoerd. De verdachte ontkende betrokkenheid, maar de rechtbank achtte bewezen dat hij een coördinerende rol had bij het vervoer en lossen van de containerlading.
De bewijsmiddelen bestonden uit douanecontroles, observaties van politie en douane, camerabeelden, telefoongegevens en verklaringen van medeverdachten. Op 18 juli 2025 werd de container gelost in een loods in Breda, waarbij pakketten cocaïne uit de boomstammen werden gehaald. De verdachte had meerdere ontmoetingen met medeverdachten die direct betrokken waren bij het transport en lossen.
De rechtbank verwierp de verklaringen van de verdachte die zijn aanwezigheid bij de losplaats en contacten met medeverdachten probeerden te verklaren als toevallig of legitiem. Gelet op de ernst van het feit, de coördinerende rol van de verdachte en de maatschappelijke gevaren van harddrugs, werd een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Daarnaast werd een geldbedrag en een iPhone aan de verdachte teruggegeven, terwijl andere telefoons in bewaring werden genomen. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst maar niet opgeheven. De straf werd verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht.