Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1412

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
12026085 VV EXPL 25-789
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArtikel 237 RvArtikel 258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens onvoldoende bewijs arbeidsovereenkomst

In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig loon en vakantiegeld van gedaagde, stellende dat hij sinds mei 2024 in dienst is op grond van een arbeidsovereenkomst. Gedaagde betwist dit en voert aan dat er geen arbeidsovereenkomst is en dat de samenwerking anders is vormgegeven.

De kantonrechter overweegt dat het spoedeisend belang van eiser is gegeven vanwege financiële knelpunten, maar dat niet aannemelijk is dat eiser recht heeft op loonbetaling. De betwisting door gedaagde is gemotiveerd en er is onvoldoende bewijs dat er een arbeidsovereenkomst bestond. E-mails tonen aan dat de afspraken over samenwerking en beloning nog niet definitief waren en dat er twijfel bestaat over de arbeidsrelatie.

Ook het feit dat eiser gedurende anderhalf jaar geen loonbetaling heeft gemeld, terwijl hij betrokken was bij dezelfde onderneming, wekt twijfel. De kantonrechter benadrukt dat bewijslevering in kort geding niet mogelijk is en wijst daarom de eis af.

De proceskosten worden aan eiser opgelegd, begroot op €1.009,- met wettelijke rente, en de veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eis tot betaling van loon en vakantiegeld wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12026085 VV EXPL 25-789
datum uitspraak: 10 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigden: mr. C.J.P. Liefting en [persoon A] ,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigden: mr. J.T.A. de Keijzer en mr. W.G. Jonker.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 12;
  • het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de e-mail van [eiser] met een reactie op het antwoord en bijlagen 13 tot en met 15d;
  • de e-mails van [eiser] van 26 januari 2026;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
1.2.
Op 27 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , in het bijzijn van zijn zakenpartner [persoon B] (hierna: [persoon B] ), en mr. Liefting en [persoon A] , en met [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en [persoon D] voor [gedaagde] , en mr. De Keijzer en
mr. Jonker.

2.De beoordeling

Beoordelingskader in kort geding
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
2.2.
[eiser] eist onder meer betaling van loon. Hij stelt dat hij financieel in de knel komt door het uitblijven van betaling hiervan. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Waar gaat het om?
2.3.
[bedrijf X] ., waarvan [eiser] en [persoon B] middellijk bestuurders / aandeelhouders zijn via hun eigen bv’s, is een joint venture aangegaan met [bedrijf Y] ., waarvan onder andere [persoon C] middellijk bestuurder / aandeelhouder is via verschillende bv’s. Het samenwerkingsverband is aangegaan in de onderneming [gedaagde] , die zich richt op het aanbieden van farmacogenetische testen via eerstelijnszorgverleners zoals huisartsen en apothekers.
2.4.
[eiser] stelt dat hij in mei 2024 ook in dienst getreden is van [gedaagde]
op grond van een arbeidsovereenkomst. Aan hem is sindsdien geen loon en vakantiegeld betaald. De arbeidsovereenkomst is niet beëindigd. Daarom eist hij om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan hem van:
€ 146.838,71 bruto aan loon en vakantiegeld tot en met 31 oktober 2025;
€ 73.419,36 aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro;
€ 7.456,40 aan wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro tot en met
31 oktober 2025;
4. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 november 2025;
5. € 7.374,38 bruto per maand (en emolumenten) zolang het dienstverband voortduurt, met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro;
6. de proceskosten.
2.5.
[gedaagde] is het hiermee niet eens en concludeert tot afwijzing van de eis met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten, met rente.
Wat vindt de kantonrechter?
Afwijzing eis
2.6.
In het licht van het in 2.1. weergegeven beoordelingskader in de onderhavige procedure moet de eis worden afgewezen. Niet voldoende aannemelijk is dat [eiser] recht heeft op betaling van loon en vakantiegeld. Dat treft ook de nevenvorderingen.
2.7.
De reden hiervoor is dat [gedaagde] gemotiveerd betwist dat [eiser] voor haar gewerkt heeft en werkt op grond van een arbeidsovereenkomst. Dat staat dus niet vast. Het beweerdelijke recht op loon uit hoofde van die arbeidsovereenkomst staat dus ook niet vast. Wat dit betreft het volgende.
2.8.
Onderkend wordt dat in de opstartfase van de onderneming onderhandeld is over de inbreng en de beloning van betrokkenen en dat in de e-mail aan [eiser] van 15 mei 2024 11:28 uur vermeld is:
“Per 1 mei 2024 treden [naam] en [voornaam eiser] (ktr: dat is [eiser] ) in dienst van [gedaagde] BV voor een brutoloon van EUR 7.374,38 per maand per persoon.”, wat steun lijkt te bieden aan het standpunt van [eiser] . Onderkend wordt ook dat [eiser] , in zijn e-mail van diezelfde dag van 12:33 uur, hiermee akkoord lijkt te zijn gegaan. Uit de betreffende e-mails volgt echter ook dat nog een aandeelhoudersovereenkomst tot stand gebracht moest worden, zodat de afspraken rondom de samenwerking toen nog niet rond waren. Van de zijde van [gedaagde] is aangevoerd dat partijen uiteindelijk tot andere afspraken zijn gekomen wat betreft de samenwerking, wat steun vindt in de e-mail van [eiser] van 4 september 2024 11:20 uur waarin vermeld is:
“Dienstverband vanaf 1 mei: Oorspronkelijk zou ik, net als [naam] , per 1 mei in dienst komen bij [gedaagde] voor hetzelfde bedrag. Later is echter besloten dat dit beter via mijn holding als zzp'er kan worden gefactureerd.”Dat bericht maakt al dat gerede twijfel bestaat ten aanzien van het gestelde door [eiser] dat hij gewerkt heeft bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst. Die twijfel wordt versterkt door de omstandigheid dat [eiser] vanaf mei 2024 gedurende anderhalf jaar tijd nimmer aan [gedaagde] meegedeeld heeft dat zijn loon niet betaald werd, wat wel zou worden verwacht, ook van iemand die participeert in dezelfde onderneming. Bij het geheel achterwege blijven van loonbetaling gedurende een dergelijke lange periode wordt in de regel niet stilgebleven. De eerste sommatie tot betaling van loon dateert echter pas van 28 november 2025, terwijl de relatie tussen partijen toen al geruime tijd getroebleerd was. Al een jaar geleden stonden betrokkenen in kort geding tegenover elkaar in deze rechtbank, waarin door [eiser] niets is aangevoerd over een loonvordering. Ook loopt een bodemprocedure bij rechtbank Midden Nederland. Behoud van de goede verstandhouding zal dus niet de reden zijn geweest om niet al veel eerder aanspraak te maken op loonbetaling. Daarbij wordt betrokken de verklaring van [eiser] dat hij gelet op zijn gezin kosten heeft. Onaannemelijk wordt verder geacht dat onderhandelingen over een regeling in der minne reden is geweest om niet eerder te reppen over recht op betaling van loon.
2.9.
Voormelde twijfel zou misschien kunnen worden weggenomen met bewijslevering, maar hiervoor wordt geen gelegenheid geboden, aangezien dit zich niet verdraagt met de aard van het kort geding. Voor bewijslevering is in de onderhavige kort gedingprocedure dus geen ruimte.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt [1] . De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, zoals hierna vermeld.
2.11.
Geen grond is gezien om, zoals [gedaagde] voorstaat, [eiser] te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten ten belope van € 4.000,-. Dat is alleen mogelijk onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Die situatie doet zich niet voor. Geen sprake is van het instellen van een vordering, die, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Of sprake is van een onjuiste of misleidende voorstelling van de feiten door [eiser] kan door de kantonrechter gelet op partijen over en weer hebben aangevoerd niet worden vastgesteld, maar zelfs als dat het geval is brengt dat niet zonder meer met zich dat de volledige proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
De proceskostenveroordeling wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard [2] .

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.009,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 237 Rv Pro
2.Artikel 258 Rv Pro