ECLI:NL:RBROT:2026:1445

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/10/713241 / HA RK 26-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in strafzaak wegens gebrek aan objectieve partijdigheidsvrees

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in haar strafzaak, stellende dat de rechter partijdig was vanwege haar regiefunctie en de wijze waarop zij de gemachtigde van verzoekster bejegende tijdens de terechtzitting op 13 januari 2026.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van het dossier, schriftelijke reacties en de mondelinge behandeling. De klachten betroffen met name het onderbreken van de gemachtigde, de toon van de rechter en een vermeende impliciete dreiging.

De kamer oordeelde dat de rechter een ruime vrijheid heeft in het leiden van de zitting en dat de gestelde gedragingen niet leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De bejegening, hoewel onaangenaam ervaren, bevatte geen aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Het verzoek om getuigen te horen werd afgewezen en het wrakingsverzoek zelf werd verworpen. Klachten over bejegening kunnen volgens de kamer bij het gerechtsbestuur worden ingediend.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/713241 / HA RK 26-24
Beslissing van 11 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: [persoon A] ,
strekkende tot de wraking van
mr. N.M. Ketelaar,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de kanton-strafzaak tegen verzoekster. Deze strafzaak heeft het parketnummer 96.331640.23 (‘de strafzaak’). Het dossier van de strafzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 13 januari 2026;
  • het proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak van 13 januari 2026;
  • de schriftelijke reactie van de gemachtigde van verzoekster van 16 januari 2026 op het proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak van 13 januari 2026;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 20 januari 2026 en
  • de schriftelijke reactie van de gemachtigde van verzoekster op de schriftelijke reactie van de rechter, tevens houdende een verzoek tot het horen van getuigen, van 22 januari 2026.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is de gemachtigde van verzoekster verschenen. De rechter had voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te kunnen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft – enigszins verkort weergegeven – het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Tijdens de terechtzitting in de strafzaak op 13 januari 2026 (‘de zitting’) heeft de rechter uitlatingen en gedragingen gedaan, die de indruk hebben gewekt dat de rechter partijdig is tegenover verzoekster. Bij aanvang van de zitting vroeg de rechter meteen naar de verklaring van verzoekster, terwijl haar gemachtigde (‘de gemachtigde’) wilde uitleggen dat verzoekster geen verklaring heeft omdat zij zich verzet tegen het tenlastegelegde. De rechter bleef vragen naar een verklaring, maar de gemachtigde begreep niet wat de rechter daarmee bedoelde. De gemachtigde merkte toen al dat de rechter lichtelijk geïrriteerd reageerde. Vervolgens gaf de rechter de gemachtigde niet de gelegenheid om te reageren op de officier van justitie. De rechter zei dat dat later kon, zonder de gemachtigde daarbij aan te kijken en bovendien op een licht geïrriteerde toon. Toen de gemachtigde mocht reageren, onderbrak de rechter hem met de vraag of de gemachtigde getuige was geweest van het tenlastegelegde. De gemachtigde vond dat opmerkelijk, omdat hij daardoor werd onderbroken in zijn betoog. De gemachtigde heeft toen tegen de rechter gezegd dat hij het een vervelende vraag vond, ook omdat hij voelde dat er werd geïnsinueerd dat hij getuige zou zijn geweest van het tenlastegelegde. Daarop zei de gemachtigde dat hij het niet fijn vond dat de rechter hem onderbrak tijdens zijn reactie. Toen werden er dingen over en weer gezegd. Daarna zei de rechter “
Praat” en “
Praat door”. Dit was voor de gemachtigde lastig, omdat hij door de onderbreking zijn verhaal kwijt was geraakt en dit eerst weer moest kunnen oppakken. De gemachtigde zei dat hij deze gang van zaken vreemd vond en dat hij dit niet gewend was. De rechter reageerde daarop met “
Ik ben de rechter, he?”. Vervolgens zei de rechter opnieuw “
Gaat u verder”. De gemachtigde vroeg aan de rechter of zij boos of geïrriteerd was. De rechter bevestigde dit. De gemachtigde heeft daarop gezegd dat een rechter niet uit emotie moet handelen en dat hij het gevoel kreeg dat dit nu wel gebeurt, waarop de rechter begon te lachen. Hierbij zei de rechter expliciet dat zij geïrriteerd was door de gemachtigde. Vervolgens zei de rechter “
Gaan we het zo spelen?”. De rechter leunde daarbij naar voren, maakte zich breed en zei met een grote lach opnieuw “
Praat door”. Deze handelwijze heeft de gemachtigde opgevat als een impliciete dreiging dat het proces nadelig voor verzoekster zou uitpakken. Verzoekster had geen kans meer op een eerlijk proces.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar die is niet doorslaggevend.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing en legt dit als volgt uit.
3.5.
In haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek heeft de rechter de beschrijving van de gang van zaken op de zitting die de gemachtigde heeft gegeven, en dan met name de manier waarop het gesprek tussen haar en de gemachtigde is verlopen, (in essentie) niet weersproken, met die kanttekening, dat volgens de rechter de toon van de gemachtigde op de zitting aanvallend en onbeleefd bleef. Gelet daarop gaat de wrakingskamer voor de beoordeling van het wrakingsverzoek uit van de feitelijke gang van zaken op de zitting zoals hiervoor in 2.1. is beschreven. Bij deze stand van zaken bestaat er geen aanleiding om daarover nog getuigen te horen, zoals de gemachtigde heeft verzocht. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
3.6.
De klachten van verzoekster vallen in wezen uiteen in twee gronden: de manier waarop de rechter de terechtzitting heeft geleid (de regiefunctie van de rechter) en de manier waarop de gemachtigde van verzoekster tijdens de terechtzitting door de rechter is bejegend (de bejegening door de rechter). De wrakingskamer bespreekt deze gronden hierna afzonderlijk.
De regiefunctie van de rechter
3.7.
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter een grote vrijheid heeft in het bepalen van de manier waarop de strafzaak wordt behandeld. De rechter bepaalt welke vragen er worden gesteld en op welk moment die vragen worden gesteld, ook als die vragen op een voor een procespartij wellicht ongelukkig moment worden gesteld. Verder moet de rechter de voortgang van de strafzaak in de gaten houden, mede met het oog op de overige strafzaken die nog moeten worden behandeld.
3.8.
In dit geval zag de rechter in het betoog van de gemachtigde aanleiding meteen een vraag te stellen toen de aanleiding daarvoor zich aandiende. Hoewel de wrakingkamer zich kan voorstellen dat de gemachtigde hierdoor de draad van zijn betoog kwijtraakte, kan uit deze gang van zaken niet worden afgeleid dat de rechter tegenover verzoekster vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Ook de inhoud van de gestelde vraag kan niet tot dat oordeel leiden. De gemachtigde zei aan het begin van zijn betoog dat hij ambtenaar is. Dat deed de rechter denken aan het proces-verbaal in de strafzaak, waarin staat dat verzoekster bij de politie had aangegeven dat er een ambtenaar in haar auto zat op het moment dat zij te hard zou hebben gereden. Dat de rechter vervolgens aan de gemachtigde vroeg of híj die ambtenaar was, ligt voor de hand en wijst niet op vooringenomenheid van de rechter.
3.9.
Ook de aanwijzingen van de rechter dat de gemachtigde moest doorpraten wijzen niet op vooringenomenheid van de rechter. Deze aanwijzingen zijn verklaarbaar door de beperkte tijd die de rechter voor de behandeling van deze strafzaak had (ongeveer zeven minuten) op een zitting waarop nog meer strafzaken moesten worden behandeld. De wrakingskamer heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ook geconstateerd dat de gemachtigde nadat hij werd onderbroken in zijn betoog even de tijd nodig had. Dat is natuurlijk niet erg, maar voorstelbaar is dat de rechter daar tijdens de terechtzitting minder tijd voor beschikbaar had dan de wrakingskamer tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. Hoe dan ook kan uit de omstandigheid dat de rechter de gemachtigde van verzoekster heeft aangespoord om zijn betoog te vervolgen geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid worden afgeleid.
De bejegening door de rechter
3.10.
De klachten van verzoekster over de manier waarop haar gemachtigde door de rechter is bejegend, horen in principe niet thuis in een wrakingsprocedure.
3.11.
Dit is alleen anders als sprake is van concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het wrakingsverzoek, de schriftelijke reactie van de rechter daarop, de daaropvolgende schriftelijke reactie van verzoekster en het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat het gesprek tussen de rechter en de gemachtigde van verzoekster tijdens de terechtzitting op een gegeven moment een onmiskenbaar onaangename wending heeft genomen. De wrakingskamer wil aannemen dat de gemachtigde van verzoekster daaraan een vervelende nasmaak heeft overgehouden en dat hij daadwerkelijk heeft gevreesd dat verzoekster geen eerlijk proces meer zou krijgen. Echter, de wrakingkamer moet beoordelen of die subjectieve vrees van (de gemachtigde van) verzoekster objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer ziet in wat tijdens de terechtzitting is voorgevallen geen concrete aanwijzing dat de rechter tegenover verzoekster vooringenomenheid koestert of dat de vrees daarvoor van verzoekster objectief gerechtvaardigd is. Uit de omstandigheid dat de rechter de gemachtigde op een voor hem onaangename manier aanspoorde zijn betoog voort te zetten en daarna desgevraagd erkende dat hij haar irriteerde, kan niet worden afgeleid dat de rechter haar oordeel over de inhoud van de strafzaak al klaar had, en dus niet meer naar de gemachtigde zou luisteren en zonder meer een voor verzoekster negatieve beslissing zou nemen.
3.12.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen. Klachten over bejegening kunnen desgewenst worden ingediend bij het gerechtsbestuur.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek om getuigen te horen af;
4.2.
wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. J. van Dort, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.