Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 13 januari 2026;
- het proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak van 13 januari 2026;
- de schriftelijke reactie van de gemachtigde van verzoekster van 16 januari 2026 op het proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak van 13 januari 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 20 januari 2026 en
- de schriftelijke reactie van de gemachtigde van verzoekster op de schriftelijke reactie van de rechter, tevens houdende een verzoek tot het horen van getuigen, van 22 januari 2026.
2.Het wrakingsverzoek
Praat” en “
Praat door”. Dit was voor de gemachtigde lastig, omdat hij door de onderbreking zijn verhaal kwijt was geraakt en dit eerst weer moest kunnen oppakken. De gemachtigde zei dat hij deze gang van zaken vreemd vond en dat hij dit niet gewend was. De rechter reageerde daarop met “
Ik ben de rechter, he?”. Vervolgens zei de rechter opnieuw “
Gaat u verder”. De gemachtigde vroeg aan de rechter of zij boos of geïrriteerd was. De rechter bevestigde dit. De gemachtigde heeft daarop gezegd dat een rechter niet uit emotie moet handelen en dat hij het gevoel kreeg dat dit nu wel gebeurt, waarop de rechter begon te lachen. Hierbij zei de rechter expliciet dat zij geïrriteerd was door de gemachtigde. Vervolgens zei de rechter “
Gaan we het zo spelen?”. De rechter leunde daarbij naar voren, maakte zich breed en zei met een grote lach opnieuw “
Praat door”. Deze handelwijze heeft de gemachtigde opgevat als een impliciete dreiging dat het proces nadelig voor verzoekster zou uitpakken. Verzoekster had geen kans meer op een eerlijk proces.