ECLI:NL:RBROT:2026:1452

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
ROT 26/234
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang vader en minderjarige dochter

Verzoeker, zonder vaste woon- of verblijfplaats, en zijn minderjarige dochter werden de toegang tot maatschappelijke opvang door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geweigerd. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker en zijn dochter een spoedeisend belang hebben omdat zij momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en tijdelijk in een hotel verblijven dat slechts kort is toegezegd. De situatie is zorgwekkend gezien de kwetsbare achtergrond van de dochter en het ontbreken van een stabiel netwerk.

Hoewel verzoeker onder normale omstandigheden zelfredzaam zou zijn, is zijn situatie ingrijpend veranderd door de plotselinge zorg voor zijn dochter. Het college stelde dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld en onvoldoende binding met Rotterdam heeft, maar de voorzieningenrechter vond dat het belang van verzoeker en zijn dochter, mede op grond van artikel 3 IVRK Pro, doorslaggevend is.

De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en beveelt het college binnen een week maatschappelijke opvang te bieden tot zes weken na het besluit op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college wordt opgedragen binnen een week maatschappelijke opvang te bieden aan verzoeker en zijn minderjarige dochter tot zes weken na het besluit op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/234

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.H. Bahreman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin de toegang tot de maatschappelijke opvang voor verzoeker en zijn minderjarige dochter wordt afgewezen. Verzoeker is het niet met die afwijzing eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en draagt het college op om verzoeker en zijn minderjarige dochter binnen één week maatschappelijke opvang te bieden tot 6 weken na het besluit op het bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, K. Campman als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker heeft volgens het bestreden besluit van 24 november 2025, op 24 november 2025 (blijkens het intakeformulier dat zich in het dossier bevindt heeft verzoeker zich op 20 november 2025 bij het college gemeld) een aanvraag ingediend voor toelating tot de maatschappelijke opvang voor hem en zijn minderjarige dochter ( [minderjarige] , 9 jaar). Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit afgewezen. Het college vindt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Verzoeker wordt namelijk in staat geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
4. Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college. Het college heeft volgens hem onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie van verzoeker en zijn dochter en de werkelijke leefsituatie miskend. De thuissituatie van verzoeker en zijn dochter is instabiel. Verzoeker heeft zijn dochter naar Nederland gehaald omdat haar moeder door psychische problematiek en agressief gedrag is aangehouden en is opgenomen in een psychiatrische instelling. Zij kon niet meer voor haar kinderen zorgen. Verzoeker en zijn dochter hebben in een auto geslapen op verschillende parkeerplekken en slapen op dit moment in een hotel geregeld door het Rode Kruis. Verzoeker heeft door de situatie te maken met ernstige spanningsklachten, depressieve gevoelens en stress. Ook staat verzoeker voor een aantal administratieve taken, zoals het regelen van het gezag over [minderjarige] en haar verblijfsstatus. Hierdoor heeft verzoeker een integrale ondersteuningsbehoefte. Verzoeker stelt dat zijn belangen en die van zijn dochter zwaarder wegen dan het belang van het college om hen maatschappelijke opvang te onthouden. Volgens artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de recente invulling daarvan door de Hoge Raad [1] , moeten de belangen van het kind als eerste overweging in aanmerking komen.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
5.1.
Volgens verzoeker is er een spoedeisend belang, omdat hij en zijn dochter op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. Zij worden opgevangen in een hotel door het Rode Kruis. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van de zaak?
6. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. [2] Verzoeker kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als hij geen onderdak heeft, door de problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. [3] In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
Zelfredzaamheid
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in een normale situatie gezegd zou kunnen worden dat verzoeker zelfredzaam is. Het is hem immers gelukt om een bestaan in Nederland op te bouwen, door werk te vinden en een kamer te huren in Amsterdam. In november 2025 is echter de situatie ontstaan dat de moeder van [minderjarige] plotseling niet meer voor haar kon zorgen vanwege psychische problematiek. Uit het dossier blijkt dat dit is bevestigd door medewerkers van jeugdzorg uit het Verenigd Koninkrijk. De moeder van [minderjarige] heeft gevraagd of verzoeker [minderjarige] kon komen ophalen. Verzoeker, die de biologische vader is van [minderjarige] , heeft [minderjarige] in het Verenigd Koninkrijk opgehaald, haar mee naar Nederland genomen en de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. Verzoeker huurde een kamer in Amsterdam. Ter zitting heeft hij toegelicht dat de huur zou aflopen en hij de huur niet wilde verlengen, omdat er onvoldoende ruimte was voor [minderjarige] in zijn kamer en zijn medebewoner vaak dronken was en zijn eten stal. Omdat hij deze situatie niet goed vond voor [minderjarige] , heeft hij de kamer verlaten en is hij naar Rotterdam vertrokken. Van zijn spaargeld heeft hij verblijf in hotels bekostigd. Omdat verzoeker bij [minderjarige] moest blijven en een kennis van hem in Rotterdam slechts twee dagen per week op [minderjarige] kon passen, was verzoeker te weinig beschikbaar voor zijn werkgever en verloor hij zijn uitzendbaan. Verzoeker heeft daardoor geen inkomen meer. Inmiddels zit [minderjarige] van ’s ochtends tot halverwege de middag op een taalschool in Rotterdam zodat verzoeker slechts nog opvang voor de tweede helft van de middag moet regelen. Verzoeker kan niet bij zijn kennis verblijven omdat zij kinderen heeft en nachtdiensten draait. Verzoeker heeft geen spaargeld meer om in hotels te verblijven. Verzoeker en [minderjarige] verblijven op dit moment in een hotel geregeld door het Rode Kruis, maar dit is slechts tot een dag na de zitting toegezegd. Verzoeker en [minderjarige] hebben hier ongeveer twee weken verbleven. Daarvoor verbleven zij volgens verzoeker vanaf 8 december 2025 in hun auto. De school van [minderjarige] heeft tussen 27 november 2025 en 8 december 2025 een hotel bekostigd. Tot 27 november 2025 hebben zij een aantal dagen verbleven in het respijthuis Rotterdam. Verzoeker stelt dat hij een steuntje in de rug nodig heeft in de vorm van een opvangplek en hulp bij administratieve zaken zoals het verkrijgen van het gezag over [minderjarige] , het regelen van haar verblijfsstatus, het aanvragen van een bijstandsuitkering en kinderopvangtoeslag en het inschrijven van [minderjarige] bij zorgverleners, waarna hij zichzelf weer kan redden.
8. Het college heeft op de zitting verschillende nadere standpunten ingenomen. Zo heeft het college gesteld dat verzoeker wellicht helemaal niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang omdat hij de Italiaanse nationaliteit heeft en [minderjarige] de Britse nationaliteit. Wanneer iemand in Nederland komt wonen en werken wordt van diegene verwacht dat die persoon werk heeft en woonruimte heeft en houdt. Verzoeker heeft daarom volgens het college verwijtbaar gehandeld door zijn kamer in Amsterdam op te geven. Daarnaast dient verzoeker zich bij het college van burgemeester en wethouders in Amsterdam te melden, aangezien hij daar in eerste instantie woonde en werkte. Er blijkt geen binding te zijn met Rotterdam. Ook kan het volgens het college aan verzoeker worden toegerekend dat hij zelf de huidige situatie heeft gecreëerd. Hij heeft er immers zelf voor gekozen om [minderjarige] op te halen uit het Verenigd Koninkrijk, terwijl [minderjarige] daar onder de jeugdzorg valt.
8.1.
De voorzieningenrechter constateert dat niet al deze redenen aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. In het bestreden besluit is namelijk alleen overwogen dat verzoeker zelfredzaam is en daarom geen toegang krijgt tot de maatschappelijke opvang. De voorzieningenrechter merkt op dat uit het dossier blijkt dat de gezinssituatie van [minderjarige] bij haar moeder zorgwekkend was en dat medewerkers van het college zich zorgen maakten over [minderjarige] . Ook vindt de voorzieningenrechter het niet vreemd dat verzoeker, als biologische vader van [minderjarige] , de zorg voor zijn dochter op zich heeft genomen en een zo goed mogelijke leefsituatie voor haar probeert te creëren. Daarnaast gaat [minderjarige] op dit moment naar de taalschool in de buurt van Rotterdam Alexander, waardoor enige binding met Rotterdam bestaat op dit moment. Het is aan het college om in de bezwaarfase de ingenomen standpunten nader te onderbouwen.
Belangenafweging
9. Hoewel de voorzieningenrechter dus met het college van oordeel is dat onder normale omstandigheden gezegd kan worden dat verzoeker zelfredzaam is, is de situatie van verzoeker echter ingrijpend gewijzigd nu hij naast zichzelf ook plotseling zorg moet dragen voor [minderjarige] . De voorzieningenrechter vindt de situatie dat [minderjarige] op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en zij telkens op verschillende plekken verblijft (waarbij zij soms kennelijk in een auto overnacht), terwijl zij gelet op de informatie uit het Verenigd Koninkrijk uit een kwetsbaar gezin komt en al veel heeft meegemaakt, zorgwekkend. Ook het college heeft blijkens de stukken gedurende de aanvraag zorgen uitgesproken over het (mentale) welzijn van [minderjarige] . Verzoeker en [minderjarige] verblijven op dit moment in een hotel geregeld door het Rode Kruis, maar dit is slechts tot een dag na de zitting toegezegd. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker een netwerk heeft waar hij en [minderjarige] op terug kunnen vallen voor verblijf, anders dan incidentele oppas. De voorzieningenrechter ziet de school en het Rode Kruis niet als een netwerk waarop verzoeker structureel aanspraak zou kunnen maken. Dat verzoeker samen met [minderjarige] dan weer in een auto zou moeten verblijven, acht de voorzieningenrechter in het bijzonder onwenselijk. Het door verzoeker ingeroepen artikel 3 van Pro het IVRK moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in een situatie zoals hier aan de orde de doorslag geven.
10. De voorzieningenrechter is al met al van oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen in afwachting van het besluit op bezwaar aan het belang van verzoeker en [minderjarige] een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen en bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat het college ervoor zorgt dat verzoeker en [minderjarige] binnen één week na de uitspraak worden opgevangen in een opvangvoorziening. Deze voorlopige voorziening geldt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt het college dus op om binnen één week na deze uitspraak verzoeker en [minderjarige] voorlopige maatschappelijke opvang te bieden totdat op het bezwaar is beslist.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit van 24 november 2025 tot 6 weken na het besluit op bezwaar en treft de voorlopige voorziening zoals hiervoor onder 10 genoemd, inhoudende dat verzoeker en zijn minderjarige dochter binnen één week na deze uitspraak tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoeker verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
2.Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.