ECLI:NL:RBROT:2026:1452
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang vader en minderjarige dochter
Verzoeker, zonder vaste woon- of verblijfplaats, en zijn minderjarige dochter werden de toegang tot maatschappelijke opvang door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geweigerd. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker en zijn dochter een spoedeisend belang hebben omdat zij momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en tijdelijk in een hotel verblijven dat slechts kort is toegezegd. De situatie is zorgwekkend gezien de kwetsbare achtergrond van de dochter en het ontbreken van een stabiel netwerk.
Hoewel verzoeker onder normale omstandigheden zelfredzaam zou zijn, is zijn situatie ingrijpend veranderd door de plotselinge zorg voor zijn dochter. Het college stelde dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld en onvoldoende binding met Rotterdam heeft, maar de voorzieningenrechter vond dat het belang van verzoeker en zijn dochter, mede op grond van artikel 3 IVRK Pro, doorslaggevend is.
De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en beveelt het college binnen een week maatschappelijke opvang te bieden tot zes weken na het besluit op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college wordt opgedragen binnen een week maatschappelijke opvang te bieden aan verzoeker en zijn minderjarige dochter tot zes weken na het besluit op bezwaar.