ECLI:NL:RBROT:2026:1459

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714638 / KG ZA 26-133
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opschorting ontruiming woning wegens huurachterstand

In deze zaak staat een executiegeschil centraal over de tenuitvoerlegging van een proces-verbaal van 13 november 2025, waarin afspraken zijn gemaakt over de huurbetaling en aflossing door de huurder. De huurder had een aanzienlijke huurachterstand van €15.000,- opgebouwd en heeft de betalingsverplichtingen uit het proces-verbaal niet tijdig nagekomen, met name de aflossing was ruim drie weken te laat.

De verhuurder heeft daarom de ontruiming van de woning gepland, welke door de huurder werd betwist met een verzoek tot opschorting. De voorzieningenrechter oordeelt dat de verhuurder bevoegd is tot ontruiming omdat de huurder zijn verplichtingen niet is nagekomen en er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het karakter van het proces-verbaal als een laatste kans maakt dat de verhuurder niet verplicht is om de huurder nog een extra kans te geven.

Hoewel de belangen van de minderjarige kinderen van de huurder meegewogen moeten worden, is dit reeds in de eerdere procedure gedaan en is er voldoende alternatieve woonruimte beschikbaar. De huurder heeft ook nagelaten te communiceren over zijn betalingsproblemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en veroordeelt de huurder in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot opschorting van de ontruiming af en bevestigt de bevoegdheid van de verhuurder om de woning te ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714638 / KG ZA 26-133
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.R. de Kok,
tegen
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. E.M. Uijttewaal en C.A.C. Nagel.
Partijen worden hierna [eiser] en [eiseres] genoemd.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Rotterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. Th. Veling, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. R.W.H. van Rijkom als griffier.
Aanwezig zijn:
  • [eiser] , met zijn hiervoor genoemde advocaat; en
  • [eiseres] , met haar hiervoor genoemde advocaten.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling korte tijd geschorst. Na de schorsing heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
De conclusie is dat de vordering wordt afgewezen. Dat betekent dat de ontruiming van de woning, die voor morgen is gepland, mag doorgaan. De voorzieningenrechter licht dit toe.
1.2.
Het gaat in deze zaak om een executiegeschil met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 13 november 2025. [eiseres] vindt dat [eiser] zijn verplichtingen uit dat proces-verbaal niet is nagekomen. Dat staat vast. De huur over de maand januari 2026 en de aflossing voor de maand januari 2026 zijn te laat betaald. De aflossing is zelfs aanzienlijk te laat betaald. [eiseres] is dan ook in principe bevoegd om tot ontruiming van de woning over te gaan. De voorzieningenrechter kan dat alleen tegenhouden als [eiseres] daarmee misbruik van bevoegdheid maakt. Dat is een strenge maatstaf en daar is in dit geval niet aan voldaan. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.
1.2.1.
Het is duidelijk dat de verplichtingen uit het proces-verbaal golden als een allerlaatste kans voor [eiser] om nog in de woning te mogen blijven wonen. Dat was niet zomaar, want dat moet bezien worden tegen de achtergrond van het feit dat [eiser] een enorme huurachterstand van € 15.000,00 euro had laten ontstaan.
1.2.2.
Met het karakter van een laatste kans kan de voorzieningenrechter niet rijmen dat [eiseres] nu toch niets zou mogen doen met de afspraken die in het proces-verbaal staan en dat zij verplicht zou zijn om [eiser] nóg een laatste kans te geven. Een laatste kans is een laatste kans.
1.2.3.
De huur over de maand januari 2026 is weliswaar slechts enkele dagen te laat betaald, maar de aflossing voor de maand januari 2026 is ruim drie weken te laat betaald.
1.2.4.
[eiser] heeft niet met [eiseres] of de deurwaarder gecommuniceerd over de betalingsproblemen die hij had. [eiser] heeft [eiseres] in het ongewisse gelaten. [eiseres] moest maar kijken wanneer het geld zou komen en dat was in strijd met de afspraken die in het proces-verbaal staan.
1.2.5.
Het is een feit dat [eiser] twee minderjarige kinderen heeft, die ook in de woning wonen. Het is natuurlijk zo dat hun belangen moeten worden meegewogen, maar dat is tijdens de kort gedingprocedure bij de kantonrechter – welke procedure tot het proces-verbaal van 13 november 2025 heeft geleid – ook al gebeurd. Toch zijn partijen tot de in dat proces-verbaal neergelegde afspraken gekomen. Het is maatschappelijk gezien weliswaar onaanvaardbaar dat kleine kinderen op straat komen te staan vanwege het gedrag van hun ouders, maar het is niet zo dat dit steeds voor risico van een verhuurder (in dit geval: [eiseres] ) moet komen.
1.2.6.
[eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat sprake is van belangen aan haar kant om verder te gaan met de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal. De door [eiser] te betalen huur en aflossingen zijn nodig om aan de eigen financiële verplichtingen van [eiseres] te voldoen. Het ligt verder voor de hand dat [eiseres] de woning liever verhuurt aan iemand die zijn of haar financiële verplichtingen wel nakomt.
1.2.7.
Er is tot slot voldoende onderbouwd dat er alternatieve woonruimte beschikbaar is voor [eiser] en zijn gezin. Die alternatieve woonruimte is misschien niet duurzaam voor de lange termijn en ook niet ideaal, maar het is zeker niet onvermijdelijk dat de minderjarige kinderen van [eiser] op straat komen te staan.
1.3.
Alles bij elkaar is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet van misbruik van bevoegdheid kan worden gesproken. [eiseres] heeft de bevoegdheid om de woning te laten ontruimen en dat is de consequentie van keuzes die [eiser] zelf heeft gemaakt.
1.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 93,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.042,00
1.5.
Deze proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vordering af;
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt door de griffier en ondertekend door de voorzieningenrechter.