ECLI:NL:RBROT:2026:1464

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/10/711158 / KG ZA 25-1202
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering huurwoning wegens onvoldoende ernstige overlast

HW Wonen vordert ontruiming van een huurwoning vanwege vermeende jarenlange overlast door de huurder, met als dieptepunt een brandstichting waarvoor de huurder werd vrijgesproken. De rechtbank houdt rekening met de ingrijpende aard van ontruiming in kort geding en de beperkte mogelijkheid tot diepgaand onderzoek.

HW Wonen baseert haar vordering op een bestuurlijke politierapportage en verklaringen van buurtbewoners, terwijl de huurder betwist dat sprake is van ernstige en aanhoudende overlast. De huurder wijst op een verslechterde buurt, eigen slachtofferschap en persoonlijke omstandigheden met begeleiding.

De rechtbank concludeert dat de overlast onvoldoende aannemelijk is, mede omdat veel meldingen niet recent zijn en de huurder niet is gehoord op de buurtverklaringen. Minder ingrijpende maatregelen zoals gedragsaanwijzing zijn mogelijk. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de ontruimingsvordering, waarbij HW Wonen in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurwoning wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijke ernstige overlast.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711158 / KG ZA 25-1202
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
STICHTING HW WONEN,
gevestigd in Oud-Beijerland,
eisende partij,
hierna te noemen: HW Wonen,
advocaat: mr. K.A.M. Jaspers te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonend in Oud-Beijerland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.N. de Jager te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met 11 producties;
- het schriftelijke standpunt van [gedaagde] , met 8 producties;
- de mondelinge behandeling op 5 januari 2026.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven.
1.3.
Op 12 januari 2026 heeft HW Wonen verzocht om vonnis te wijzen.
1.4.
Op 14 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen bericht dat de procedure, met het oog op de behandeling van de strafzaak tegen [gedaagde] op 14 januari 2026, wordt aangehouden. Partijen zijn verzocht om zich op 29 januari 2026 uit te laten over de uitkomst van de strafzaak en de gevolgen daarvan voor de vorderingen van HW Wonen.
1.5.
Op 29 januari 2026 heeft HW Wonen onder meer laten weten dat de uitspraak van de rechtbank in de strafzaak is gepland op 9 februari 2026. Daarop heeft de voorzieningenrechter bepaald dat partijen zich op 10 februari 2026 uitlaten over de uitspraak van de strafrechter en dat op 12 februari 2026 vonnis volgt.
1.6.
Op 10 februari 2026 heeft HW Wonen, onder overlegging van het op 9 februari 2026 gewezen vonnis van de strafrechter, zich uitgelaten over de uitspraak. Op 11 februari 2026 is van [gedaagde] een schriftelijke reactie ontvangen.

2.De feiten

2.1.
Sinds 8 april 2005 verhuurt HW Wonen aan [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres 1] in Oud-Beijerland (hierna: het gehuurde).
2.2.
Op 10 oktober 2025 is [gedaagde] aangehouden op verdenking van brandstichting bij zijn buren en verboden wapenbezit en is hij in voorlopige hechtenis genomen.
2.3.
De politie heeft op 16 oktober 2025 een bestuurlijke rapportage opgesteld, waarin zij haar bevindingen uiteenzet over de brandstichting van 10 oktober 2025 en op het algehele overlastbeeld met betrekking tot [gedaagde] en zijn betrokkenheid daarin. De politie heeft de gemeente Hoeksche Waard (hierna: de gemeente) verzocht om passende bestuurlijke maatregelen te nemen.
2.4.
Bij brief van 28 november 2025 heeft HW Wonen aan [gedaagde] aangekondigd dat zij een kort geding tegen hem aanhangig gaat maken om een ontruiming van het gehuurde te bewerkstelligen vanwege de jarenlange onrust en overlast die [gedaagde] heeft veroorzaakt in de buurt, met als dieptepunt de door hem gestichte brand.
2.5.
Op 26 januari 2026 heeft deze rechtbank de voorlopige hechtenis van [gedaagde] opgeheven.
2.6.
Op 26 januari 2026 heeft de burgemeester van de gemeente op basis van de bestuurlijke politierapportage aan [gedaagde] een gebiedsverbod en een huisverbod opgelegd voor de duur van 10 dagen. Dat besluit is later ingetrokken en vervangen door een gedragsaanwijzing.
2.7.
Op 9 februari 2026 heeft deze rechtbank [gedaagde] vrijgesproken van opzettelijke brandstichting.

3.Het geschil

3.1.
HW Wonen vordert – kort gezegd – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van HW Wonen te stellen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2.
HW Wonen heeft aan de gevorderde ontruiming ten grondslag gelegd dat [gedaagde] al jaren overlast veroorzaakt in de buurt en dat zijn gedrag sinds de zomer van 2025 zo ernstig is dat dit de hele straat beïnvloedt. Ter onderbouwing van haar stelling heeft HW Wonen gewezen op de bestuurlijke politierapportage van 16 oktober 2025, waarin een overzicht is gegeven van meldingen bij de politie over [gedaagde] over de periode van juli 2021 t/m oktober 2025. Verder heeft HW Wonen schriftelijke verklaringen van meerdere buurtbewoners over het gedrag van [gedaagde] overgelegd.
4.3.
[gedaagde] betwist dat sprake is van aanhoudende en ernstige overlast die een ontruiming rechtvaardigt. De buurt is in de afgelopen jaren sterk verslechterd en staat daar om bekend. [gedaagde] voelt zich zelf ook slachtoffer, hij ervaart veel overlast van jongeren die tot ’s avonds laat rondhangen in de speeltuin en die zich intimiderend opstellen. Er is sprake van een negatieve spiraal, waarbij iedere actie een reactie uitlokt. Toen zijn autoruit werd ingeslagen en de politie niets deed met zijn aangifte, heeft hij de moeder van de daders erop aangesproken, waarna hij later voor zijn woning in elkaar werd geslagen. In reactie daarop heeft hij de ruiten van hun huis ingegooid. De verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie ligt bij meerdere gezinnen, maar er is nooit buurtbemiddeling ingezet. Volgens [gedaagde] wordt de oorzaak van alle overlast en negatieve zaken in de buurt ten onrechte alleen bij hem gelegd.
[gedaagde] merkt op dat hij te maken heeft met complexe persoonlijke omstandigheden waarvoor hij begeleiding krijgt van het Zorg- en Veiligheidshuis. Die begeleiding komt in de knel als hij het gehuurde moet ontruimen.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de voorliggende stukken en een belangenafweging er onvoldoende grond is voor toewijzing van de gevorderde ontruiming.
4.5.
Volgens HW Wonen werd zij zich pas op 30 oktober 2025, bij een bewonersbijeenkomst naar aanleiding van de brand, bewust van de overlast die [gedaagde] in de buurt veroorzaakte. Zij heeft daarna, op basis van verklaringen van buurtbewoners en de bestuurlijke rapportage, meteen ingezet op een ontruiming van het gehuurde. Het direct grijpen naar een dusdanig vergaand middel is, in de gegeven omstandigheden, niet passend.
4.6.
Uit de politierapportage kan worden opgemaakt dat met betrekking tot [gedaagde] in 2021 één melding is geweest bij de politie, in 2022 zes meldingen, in 2023 geen meldingen en in 2024 één melding. Het gaat om de vastlegging van eenzijdige meldingen, waarbij niet is gebleken dat [gedaagde] daarover is gehoord of dat de politie verder onderzoek heeft verricht of stappen heeft ondernomen richting [gedaagde] . Gelet daarop en op het feit dat voormelde meldingen niet van recente datum zijn, wordt aan de inhoud daarvan voorbij gegaan.
4.7.
Volgens HW Wonen zijn er in 2025 drie incidenten geweest rondom [gedaagde] .
Op 3 juni 2025 vond een bomaanslag plaats in de woning aan de [adres 2] . In de melding bij de politie staat dat de bewoners van dat adres aangaven dat zij al enige tijd in conflict waren met [gedaagde] . Een dag later is [gedaagde] in elkaar geslagen. Vervolgens heeft hij met een knuppel de ruiten van de woning aan de [adres 3] ingeslagen. Voor zover HW Wonen bedoelt te stellen dat [gedaagde] achter de bomaanslag zit, is de enkele melding onvoldoende om dat aan te nemen. [gedaagde] wordt daarvoor ook niet vervolgd. Wel heeft [gedaagde] erkend met een knuppel de ruiten van de woning op nummer [huisnummer X] te hebben beschadigd.
Op 10 oktober 2025 heeft de politie [gedaagde] aangehouden wegens brandstichting en verboden wapenbezit. Vervolgens is [gedaagde] vervolgd voor opzettelijke brandstichting bij zijn buren. Bij vonnis van 9 februari 2026 heeft de strafrechter hem daarvan echter vrijgesproken.
Van de door HW Wonen genoemde incidenten in 2025 staat dus alleen vast dat [gedaagde] de ruiten van een buurwoning heeft ingeslagen.
4.8.
HW Wonen heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van 11 buurtbewoners, waarvan de helft anoniem is. In die verklaringen is te lezen dat [gedaagde] het woongenot van buurtbewoners aantast door overlast in de vorm van intimidatie en bedreiging van buurtbewoners en hun kinderen, het veroorzaken van geluids- en stankoverlast, agressief gedrag en discriminerende uitspraken. HW Wonen heeft [gedaagde] echter niet in de gelegenheid gesteld om op de meldingen van buurtbewoners te reageren. Een gesprek is er niet geweest en buurtbemiddeling heeft ook niet plaatsgevonden.
Hoewel uit die verklaringen een consistent beeld ontstaat dat meerdere buurtbewoners overlast ervaren van het gedrag van [gedaagde] , zet [gedaagde] met zijn kant van het verhaal een genuanceerder beeld neer. In het licht van het verweer van [gedaagde] zijn de schriftelijke verklaringen onvoldoende om de gestelde ernstige overlast aannemelijk te maken. Dat klemt temeer nu van de door HW Wonen genoemde incidenten alleen is komen vast te staan dat [gedaagde] de ruiten van een buurwoning heeft ingeslagen (en waarvan [gedaagde] gemotiveerd heeft gesteld dat dat incident niet op zichzelf staat). Pas in een bodemprocedure, waar getuigen kunnen worden gehoord en [gedaagde] erop kan reageren, kan worden vastgesteld of [gedaagde] zich schuldig maakt aan structurele overlast die zodanig ernstig is dat het een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
4.9.
Verder is van belang dat op dit moment minder vergaande maatregelen mogelijk zijn die de situatie kunnen verbeteren, zoals buurtbemiddeling of een gedragsaanwijzing. Het huis- en gebiedsverbod dat de burgemeester eerder had afgegeven, is inmiddels ingetrokken en gewijzigd in een gedragsaanwijzing aan [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] verklaard bereid te zijn om zich ook te houden aan een gedragsaanwijzing of een ‘laatste kans overeenkomst’ van HW Wonen.
4.10.
Bij die stand van zaken weegt het belang van HW Wonen bij de gevorderde ontruiming niet op tegen het belang van [gedaagde] bij behoud van het gehuurde. Dat betekent dat de vordering van HW Wonen wordt afgewezen.
4.11.
HW Wonen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, wordt HW Wonen niet veroordeeld tot betaling van de eventuele kosten van betekening van het vonnis. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.042,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vordering van HW Wonen af;
5.2.
veroordeelt HW Wonen in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als HW Wonen niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
2091 / 2009