ECLI:NL:RBROT:2026:1466

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/10/710061 / KG ZA 25-1128
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 3.35.1 ARW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gunningsvoornemen aanbesteding schoolgebouw ongeldig wegens niet voldoen geschiktheidseis ISO 9001

Bertens Bouw B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van een aanbesteding voor renovatie en nieuwbouw van een schoolgebouw, omdat de winnende inschrijver, Aannemingsbedrijf Gebr. De Wit B.V., niet beschikte over het vereiste kwaliteitssysteem-certificaat op basis van NEN-EN-ISO 9001.

De voorzieningenrechter oordeelt dat De Wit niet voldeed aan deze geschiktheidseis, omdat zij geen geldig certificaat of gelijkwaardige verklaring kon overleggen. Hierdoor had de inschrijving van De Wit ongeldig verklaard moeten worden. Het gunningsvoornemen aan De Wit is daarom onrechtmatig.

Hoewel de gemeente Tilburg als aanbestedende dienst een groot belang heeft bij snelle realisatie van het schoolgebouw, kan dit belang niet prevaleren boven de naleving van transparantie- en gelijkheidsbeginselen in de aanbestedingsprocedure.

De rechtbank beveelt dat het gunningsvoornemen wordt ingetrokken, de inschrijving van De Wit ongeldig wordt verklaard en dat de opdracht, indien aan een derde gegund, uitsluitend aan Bertens wordt gegund. Bertens wordt niet-ontvankelijk verklaard jegens de verkeerde partij en de proceskosten worden grotendeels aan de gemeente opgelegd.

Uitkomst: Het gunningsvoornemen aan De Wit wordt ingetrokken wegens niet voldoen aan de geschiktheidseis en de opdracht wordt aan Bertens gegund.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710061 / KG ZA 25-1128
Vonnis in kort geding van 13 februari 2026
in de zaak van
BERTENS BOUW B.V.,
gevestigd in Tilburg,
eiseres,
advocaten: mr. J.H.J. Bax en mr. A.H. Klein-Hofmeijer te Rotterdam,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beide gevestigd in Rotterdam,
gedaagden,
advocaat: mr. R. Smith te Rotterdam.
Partijen worden hierna afzonderlijk Bertens, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
Gedaagden worden gezamenlijk [gedaagde 1] e.a. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 november 2025;
- de 13 producties van Bertens;
- de conclusie van antwoord;
- de 3 producties van [gedaagde 1] e.a.;
- de mondelinge behandeling op 30 januari 2026;
- de pleitnota van Bertens;
- de pleitnota van [gedaagde 1] e.a.

2.Waar gaat de zaak over?

Bertens heeft zich ingeschreven op de nationale, niet-openbare aanbestedingsprocedure voor de renovatie en nieuwbouw van een schoolgebouw in Tilburg. Op 27 oktober 2025 heeft [gedaagde 1] aan Bertens meegedeeld dat zij voornemens is de opdracht te gunnen aan Aannemingsbedrijf Gebr. De Wit B.V. (hierna: De Wit) en dat Bertens als tweede in de aanbestedingsprocedure is geëindigd. Bertens heeft bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen en stelt daartoe dat de inschrijving van De Wit ongeldig is, omdat De Wit niet voldoet aan de geschiktheidseis dat een inschrijver moet beschikken over een kwaliteitssysteem-certificaat op basis van NEN-EN-IS0:9001. Bertens heeft [gedaagde 1] verzocht de gunning te herzien, maar [gedaagde 1] was daartoe niet bereid.

3.Het geschil

3.1.
Bertens vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde 1] e.a. te gebieden om het gunningsvoornemen in te trekken en ingetrokken te houden en [gedaagde 1] e.a. te verbieden om op basis van het gunningsvoornemen een overeenkomst te sluiten met De Wit;
[gedaagde 1] e.a. te gebieden om binnen 2 werkdagen na dagtekening van het te wijzen vonnis de inschrijving van De Wit ongeldig te verklaren via een daartoe dienend aan alle inschrijvers te sturen bericht;
[gedaagde 1] e.a. te gebieden om de aanbestedingsopdracht (kenmerk [kenmerknummer] ) aan niemand anders dan Bertens te gunnen, als [gedaagde 1] e.a. voornemens blijven die opdracht aan een derde te gunnen en [gedaagde 1] e.a. te gebieden om uiterlijk 5 werkdagen na dagtekening van het te wijzen vonnis daartoe een nieuwe gunningsbeslissing te versturen;
[gedaagde 1] e.a. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde 1] e.a. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Bertens dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Bertens in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

De vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1]
4.1.
e.a. stellen, onder verwijzing naar hoofdstuk 1 van de Selectieleidraad, dat [gedaagde 2] de aanbestedende dienst is, zodat [gedaagde 1] ten onrechte in de procedure is betrokken. Bertens heeft die stelling niet betwist, maar meent dat dit niet moet leiden tot een kostenveroordeling van Bertens ten aanzien van [gedaagde 1] , omdat [gedaagde 1] e.a. zelf onduidelijkheid hebben geschept over de identiteit van de aanbestedende dienst.
4.2.
Als onweersproken staat vast dat [gedaagde 2] de aanbestedende dienst is. Dat betekent dat Bertens met de oproeping van [gedaagde 1] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken. Zij heeft geen belang bij een toewijzende vordering jegens [gedaagde 1] . Dat leidt op grond van artikel 3:303 BW Pro tot niet-ontvankelijkheid van Bertens ten aanzien van [gedaagde 1] .
4.3.
Het betoog van Bertens over de kostenveroordeling treft doel.
Bertens heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] e.a. zelf onduidelijkheid hebben gecreëerd over de identiteit van de aanbestedende dienst, waardoor Bertens zich genoodzaakt zag om naast [gedaagde 2] ook [gedaagde 1] te dagvaarden. Van belang is dat [gedaagde 1] gedurende de aanbestedingsprocedure steeds een actieve rol heeft gehad. Zo staat [gedaagde 1] als koper vermeld in de aankondiging van de aanbestedingsopdracht op TenderNed, heeft [gedaagde 1] het gunningsvoornemen meegedeeld aan Bertens en heeft zij daarna gereageerd op de bezwaren van Bertens. Verder heeft Bertens onweersproken gesteld dat in de bestekstukken afwisselend [gedaagde 1] (in het E-bestek en W-bestek) en [gedaagde 2] (in het B-bestek en model aannemingsovereenkomst) worden genoemd als aanbestedende dienst. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat Bertens voor de zekerheid beide partijen in rechte heeft betrokken. Die omstandigheid komt voor rekening en risico van [gedaagde 1] . De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de proceskosten tussen Bertens en [gedaagde 1] te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2]
4.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Bertens daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Bertens heeft een (spoedeisend) belang bij de vorderingen
4.5.
[gedaagde 2] betoogt dat Bertens niet-ontvankelijk is, omdat zij geen belang heeft bij de vorderingen. De gemeente Tilburg (hierna: de gemeente) gaat over de financiering van de realisatie van het schoolgebouw en heeft daarvoor een budget vastgesteld. De Wit is de enige inschrijver waarvan de begroting binnen het budget valt. De begroting van Bertens is fors hoger dan het maximale budget dat voorhanden is. Dat betekent dat, indien de opdracht niet aan De Wit mag worden gegund, [gedaagde 2] op de voet van artikel 7.4 van de Selectieleidraad overgaat tot het eenzijdig beëindigen van de aanbesteding. Vervolgens zal zij een meervoudig onderhandse aanbesteding starten, waarvoor zij Bertens niet gaat uitnodigen. Toewijzing van de vorderingen baat Bertens dan ook niet, aldus [gedaagde 2] .
4.6.
De voorzieningenrechter gaat niet mee in de redenering van [gedaagde 2] .
4.7.
[gedaagde 2] heeft zich in artikel 7.4 van de Selectieleidraad het recht voorbehouden om te allen tijde, om haar moverende redenen, niet tot gunning van de opdracht over te gaan en de aanbestedingsprocedure (tussentijds) eenzijdig te beëindigen. Dit voorbehoud neemt echter niet weg dat de aanbestedende dienst ook bij de intrekking van de aanbesteding de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in acht moet nemen. [1] Die beginselen brengen met zich dat de aanbestedende dienst gegadigden en inschrijvers tijdig in kennis stelt van het intrekkingsbesluit, dat de beslissing tot intrekking voldoende gemotiveerd is, dat de redenen van intrekking niet willekeurig mogen zijn en dat de beslissing door de rechter integraal moet kunnen worden getoetst. De voorzieningenrechter ziet geen reden om vooruit te lopen op een eventueel intrekkingsbesluit van [gedaagde 2] , laat staan het mogelijke aanbestedingstraject dat zij daarna kan nemen. Onzeker is of [gedaagde 2] daadwerkelijk overgaat tot intrekking van de aanbesteding en, als dat zo is, of dat besluit overeind blijft na een eventuele rechterlijke toetsing.
4.8.
[gedaagde 2] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals zij stelt, de begroting van Bertens fors hoger is dan het gegeven budget voor de aanbesteding. Uit een brief van de gemeente van 29 januari 2025 (productie 1.1 van [gedaagde 2] ) blijkt dat de gemeente op 17 december 2024 het budget voor de aanbesteding van het betreffende schoolgebouw heeft vastgesteld op € 5.061.559,00. In de brief staat ook dat dit bedrag is gebaseerd op het prijspeil van 2024 en dat voor 2025 een indexering geldt van 1,0568. Bertens heeft daarop onweersproken betoogd dat, omdat de inschrijvingen in 2025 zijn ingediend, het budget met een prijspeil voor 2025 geldt, wat neerkomt op een bedrag van € 5.349.055,00 (= € 5.061.559,00 x 1,0568). De door Bertens geoffreerde prijs van € 5.157.800,00 lijkt daarmee binnen het budget te vallen. De stelling van [gedaagde 2] dat dit niet zo is, omdat alleen 75% van het budget is bedoeld voor de financiering van de bouwkosten en het overige deel bestemd is voor andere kosten zoals ontwerp- en inrichtingskosten, heeft Bertens bij gebrek aan wetenschap betwist en heeft [gedaagde 2] niet onderbouwd.
4.9.
Overigens heeft [gedaagde 2] niet gesteld dat, indien de bouwkosten het budgetbedrag overschrijden, de gehele aanbesteding niet kan doorgaan. Zij stelt enkel dat zij die situatie niet wenselijk vindt, omdat in dat geval de gemeenteraad moet worden ingeschakeld om de financiering goed te keuren.
4.10.
De conclusie is dat Bertens belang heeft bij toewijzing van haar vorderingen tegen [gedaagde 2] .
4.11.
Het spoedeisende karakter van de vorderingen is voldoende duidelijk en ook niet in geschil.
De Wit voldoet niet aan een geschiktheidseis
4.12.
Paragraaf 6.4 van de Selectieleidraad bevat een omschrijving van de technische geschiktheidseisen waaraan gegadigden moeten voldoen, waaronder het hebben van een kwaliteitssysteem-certificaat. Daarover staat in paragraaf 6.4.4 het volgende:
“De Gegadigde dient te beschikken over een aan hem verstrekt kwaliteitssysteem-certificaat op basis van de norm NEN-EN-ISO:9001 of gelijkwaardig. Dit certificaat moet aan de Gegadigde zijn afgegeven door een certificatie-instelling, erkend door een nationale accreditatieinstelling (in Nederland: de Raad voor Accreditatie). Het certificaat moet geldig zijn op de datum van indiening van de Aanmelding en Inschrijving en dient betrekking te hebben op alle relevante onderdelen van de Opdracht.
(…)
Indien de Aanmelder zicht beroept op een kwaliteitssysteemcertificaat op basis van een norm gelijkwaardig aan de gestelde norm, dient de gelijkwaardigheid te volgen uit een bij de Aanmelding verstrekte verklaring van de desbetreffende certificerende instelling.”
4.13.
Bertens stelt zich op het standpunt dat De Wit ten tijde van de aanmelding niet beschikte over een kwaliteitssysteem-certificaat op basis van ISO 9001 en daarmee niet voldeed aan de geschiktheidseis, zodat de inschrijving van De Wit ongeldig is.
4.14.
[gedaagde 2] erkent dat De Wit niet over het gevraagde certificaat beschikt, maar meent dat dit niet leidt tot een verplichting om De Wit uit te sluiten. [gedaagde 2] heeft daarin een beoordelingsvrijheid. Verder kan in paragraaf 6.4.4 niet worden gelezen dat het ontbreken van een ISO-certificaat leidt tot een ongeldige inschrijving. Bij de geschiktheidseis gaat het erom dat de kwaliteit in de organisatie voldoende is gewaarborgd. De Wit heeft een kwaliteitshandboek en zorgt intern voor de gewenste jaarlijkse audit. Daarmee heeft De Wit volgens [gedaagde 2] voldaan aan het vereiste “
of gelijkwaardig”.
4.15.
Het verweer van [gedaagde 2] met betrekking tot uitsluiting van De Wit wordt verworpen. Het geschil gaat hier niet om het bestaan van een uitsluitingsgrond, waar het om draait in paragraaf 6.1 van de Selectieleidraad, maar om het al dan niet voldoen aan één van de geschiktheidseisen, zoals omschreven in paragraaf 6.4.4 van de Selectieleidraad.
4.16.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in paragraaf 5.1 van de Selectieleidraad uitdrukkelijk is bepaald dat de aanbestedingsprocedure plaatsvindt overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (hierna: ARW). Uit artikel 3.35.1 ARW volgt dat een inschrijving die niet voldoet aan de eisen gesteld in dat reglement, de aankondiging en de voor aanmelding en inschrijving relevante aanbestedingsstukken, ongeldig is.
4.17.
Niet in geschil is dat De Wit niet beschikt over een kwaliteitssysteem-certificaat op basis van de ISO 9001-norm. Het betoog van [gedaagde 2] dat het kwaliteitssysteem van De Wit voldoet aan een norm die gelijkwaardig is aan het gevraagde kwaliteitscertificaat, slaagt niet. Op grond van de Selectieleidraad had De Wit de gelijkwaardigheid van haar kwaliteitshandboek en de jaarlijkse audit aan de gestelde norm moeten aantonen door bij de aanmelding een verklaring daartoe te verstrekken van een certificerende instelling die daarvoor geaccrediteerd is. De Wit heeft bij de aanmelding een dergelijke verklaring niet verstrekt. Zelfs nu heeft zij een dergelijke verklaring niet voorhanden.
4.18.
Dat leidt tot het oordeel dat De Wit niet voldoet aan de geschiktheidseis met betrekking tot het kwaliteitssysteem. Ingevolge artikel 3.35.1 ARW had [gedaagde 2] de inschrijving van De Wit ongeldig moeten verklaren. Het voornemen om de opdracht te gunnen aan De Wit is daarom onrechtmatig.
Belangenafweging
4.19.
[gedaagde 2] heeft gewezen op haar belang als onderwijsinstelling om het schoolgebouw te realiseren ten behoeve van kinderen die moeite hebben met horen, spreken of taal. Bij een verbod om het werk te gunnen aan De Wit, moeten de leerlingen en de medewerkers van [gedaagde 2] langer wachten op passende huisvesting. Een nieuwe aanbesteding leidt bovendien tot extra kosten en inzet van mankracht. Dat heeft zijn weerslag op het door de gemeente verstrekte budget en op de uitvoering van haar andere projecten, aldus [gedaagde 2] .
4.20.
De voorzieningenrechter onderkent dat [gedaagde 2] een groot belang heeft bij het gunnen van de opdracht aan De Wit, maar dat belang kan niet rechtvaardigen dat uitvoering wordt gegeven aan een gunningsvoornemen dat in strijd met de voorschriften van de aanbestedingsprocedure tot stand is gekomen. De geschiktheidseisen gelden voor alle partijen die betrokken zijn bij de aanbesteding en verschaffen zekerheid over de regels van het traject. Indien daarover heen wordt gestapt, zou dat het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel waar aanbestedende diensten zich aan hebben te houden zinledig maken.
Conclusie
4.21.
De vorderingen van Bertens, die er kort gezegd toe strekken dat het gunningsvoornemen aan De Wit wordt ingetrokken en dat [gedaagde 2] , voor zover zij de opdracht nog wil gunnen aan een derde, de opdracht gunt aan Bertens, worden toegewezen zoals hierna vermeld.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde 2] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Bertens veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:
- dagvaarding € 125,30
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.205,30
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart Bertens niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde 1] ;
5.2.
gebiedt [gedaagde 2] om het gunningsvoornemen in te trekken en ingetrokken te houden en verbiedt [gedaagde 2] om op basis van het gunningsvoornemen een overeenkomst te sluiten met De Wit;
5.3.
gebiedt [gedaagde 2] om binnen 5 werkdagen na de uitspraak van dit vonnis de inschrijving van De Wit ongeldig te verklaren via een daartoe dienend aan alle inschrijvers te sturen bericht;
5.4.
gebiedt [gedaagde 2] , voor zover zij voornemens blijft de opdracht aan een derde te gunnen, om de aanbestedingsopdracht (kenmerk [kenmerknummer] ) aan niemand anders dan aan Bertens te gunnen, en gebiedt [gedaagde 2] om binnen 5 werkdagen na de uitspraak van dit vonnis daartoe een nieuwe gunningsbeslissing te versturen;
5.5.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 2.205,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
5.6.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
compenseert de proceskosten tussen Bertens en [gedaagde 1] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
2091 / 2009

Voetnoten

1.Hof van Justitie EU, 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2435 (Croce Amica)