ECLI:NL:RBROT:2026:1539

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
ROT 26/913
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 14 januari 2026. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

De griffier heeft verzoekster bij aangetekende brief van 29 januari 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht van €54 binnen twee weken te betalen. De brief is op 31 januari 2026 bezorgd en voor ontvangst getekend. Verzoekster heeft het griffierecht echter niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft geen verontschuldiging voor dit verzuim gegeven.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Hierdoor wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S. Veling op 18 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/913

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit van het college van 14 januari 2026.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 29 januari 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 31 januari 2026 om 17:43 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.