De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om zes minderjarige kinderen onder toezicht te stellen vanwege vermoedens van huiselijk geweld door de vader en onveilige opvoedsituatie. De kinderen verblijven echter met de moeder in Syrië, waar het onduidelijk is of en wanneer zij terugkeren naar Nederland. De Raad vreest dat de kinderen tegen hun wil in Syrië verblijven en wil via een ondertoezichtstelling een vinger aan de pols houden.
De gecertificeerde instelling (GI) en de vader verzetten zich tegen het verzoek. De GI stelt dat uitvoering van een ondertoezichtstelling in Syrië praktisch onmogelijk is en dat de grootste bedreiging, de vader, momenteel geen contact heeft met de kinderen. De vader ontkent geweld en benadrukt zijn bereidheid tot hulpverlening, terwijl de moeder en kinderen tegen zijn wil naar Syrië zijn vertrokken.
De kinderrechter overweegt dat de zorgen vooral betrekking hebben op de vader, die momenteel geen contact heeft met de kinderen. De situatie in Syrië is onduidelijk en de Raad kan daar geen controle uitoefenen. Gezien het ontbreken van voldoende gronden en de onmogelijkheid tot doelmatige uitvoering, wijst de kinderrechter het verzoek af. De Raad kan bij terugkeer van de kinderen in Nederland opnieuw een verzoek indienen.